De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

VIERDE ZONDAG IN DE VEERTIGSDAGENTIJN VAN HET A-JAAR 2008
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2008

IN PLAATS VAN GOD

 

WAAROM TOCH

Waarom is die man blind? Waarom moet hij zijn leven lang bedelen aan de poort? Waarom moet hij al die ellende meemaken? Waarom krijgt die vrouw van nauwelijks dertig zo’n zware ziekte te dragen? Waarom is het bloed zo ziek van dit jonge kind? Het zijn schokkende gebeurtenis die ons in verlegenheid brengen. Hier lijkt de schepping fundamenteel niet te kloppen. Het is alsof een stom toeval over de wereld regeert.
‘Waarom moet mij dit overkomen?’, bonkte het honderd keer door het hoofd van de man. Hij was nog geen vijftig jaar oud. Een van de kinderen was nog thuis en de dokter gaf hem nog hooguit een jaar. Waarom?

IN VERLEGENHEID

De Farizeeën hadden ook wel gezien dat de bedelaar aan de poort een brave man was. Er kwam nooit een opstandig woord over zijn lippen. Hij leek zijn kruis geduldig te dragen. Hij was vriendelijk en vroom. Zijn ziekte kon onmogelijk worden uitgelegd als een verdiende straf. Dan liepen er wel andere schurken rond! Maar die straalden van gezondheid en keken met een triomfantelijke blik neer op het volk dat ze bedrogen.
De gelovige wordt in verlegenheid gebracht. Zouden het soms zijn ouders zijn geweest? Ja dat moest wel. het moesten zijn ouders zijn. Maar ook dat is een verontrustende gedachte. Wat is dat voor een God die de ouders straft door het kind te laten lijden?

GEEN STRAF

Jezus is er duidelijk over. Het ligt niet aan de blinde. Het ligt ook niet aan de ouders. Het lijden is geen straf van God. God is geen barbaarse vader en Hij wil het lijden niet.
Dat hoor je graag. Gelukkig. Want anders zouden we ons geloof in God kunnen verliezen! Maar waarom laat God het onrecht dan gebeuren? Waarom is het geluk dan zo oneerlijk verdeeld over de continenten en de mensen?
Ik zou het graag weten, want de klacht hoor ik elke week. Maar Jezus zegt er niets over. Helemaal niets. Hij laat het erbij te constateren dat het niet de schuld is van de patiënt of diens ouders. En het volgende wat Jezus dan doet is de zieke helpen.

KAARSJE VOOR OMA

Een vrouw vertelde peinzend: ‘Het ergste vind ik, dat ik de communie van mijn kleindochter niet meer zal meemaken. Sinds vorig jaar gaat ze elke woensdagmiddag met me mee. Dan steken we een kaarsje op in de kerk, voor oma - voor mij dus -, want ze begrijpt wel dat ik ziek ben. En werkelijk, een tijdje had ik het idee dat het gebed van dit kind God wel vermurwen zou. Ze knijpt haar ogen stijf dicht. Ze denkt dat ze sterker bidt naarmate de ogen stijver zijn dichtgeknepen. En dan ineens zegt ze "Klaar!" Dan lopen we naar de bakker. Hoe moet ik het haar vertellen, als het bed straks in de kamer staat? Zal ik haar nog kunnen tillen? Zal zij later nog ooit nog een kaars opsteken? En als ze nooit meer kan bidden, dan is ze toch nog verder van huis! Ik begrijp God òòk niet, maar liever een onbegrijpelijke God dan helemaal geen!’ Ze sloot haar ogen. Haar eigen ziekte bracht haar in verlegenheid tegenover haar kleindochter.
De vraag naar de rol van God beantwoordt Jezus door een daad van naastenliefde. De leegte die de godsvraag bij de lijdende schept, vult Jezus met zijn liefdevolle nabijheid. De hunkering naar een wonder van de Allerhoogste beantwoord Jezus door zelf nabij te zijn. Duidelijker kan Hij niet zijn.

LEEGTE MET LIEFDE VULLEN

Als wij God zouden begrijpen, dan hadden we het niet over God maar over ons eigen ontwerp van God. Als we de zin van de schepping konden overzien en de betekenis van ieder onderdeel konden bevatten, dan zouden we God niet kennen maar we zouden Hem zijn! Wie het begrip God iets waard is, die zwijgt. Die zwijgt met eerbied. Het lijden is niet de schuld van de mens die eronder gebukt gaat. God lijkt hier een leegte achter te laten die wij niet met lichtzinnige woorden moeten vullen. Ons enige antwoord is dat van Jezus: een meelevend hart en een helpende hand.
Daar moge Gods zegen op rusten!

CAPTAIN KIEZEN

Lieve kinderen.
‘Let op’, riep de trainer, en hij wees met de wijsvinger de rij jongens af: ‘een-twee, een-twee, een-twee...’ ‘Iedereen met één gaat naar dàt doel, dat is het ene elftal, en de twee’s gaan naar dàt doel. En nou kies je eerst je eigen captain, ik kom zo kijken!’
Floris had ‘twee’, dus die liep naar dat andere doel en hij keek naar zijn vriendjes. Wie zou hij als captain kiezen? Niet Dirk. Dirk was te groot. Die zou hem nooit een kans geven. Floris was tamelijk tenger. Nee, Lei was beter, die was ook een beetje klein. Die zou beter begrijpen hoe het is als grote jongens over je heen vallen. En Gerrit-Jan ook niet! Gerrit-Jan had altijd zo’n grote mond. Die liep altijd te schelden. Die verpestte de sfeer. Die werd te gauw boos. Nee, dan was Tom beter. Zijn stem was zacht, maar hij hield met iedereen rekening. Die maakte geen ruzie in het team.
Alle jongens hadden een naam op een briefje geschreven. De trainer had ze snel opgehaald en gelezen. Hij haalde verbaasd zijn wenkbrauwen op. Dat had hij niet gedacht. ‘Als captain hebben jullie gekozen...’, hij wachtte even om het spannend te maken. ‘Hhhù!’, snoof Gerrit-Jan al hardop en Dirk was begonnen op zijn tenen te springen. ‘De captain is... Floris!’
Dat was de eerste verrassing die middag. De tweede was de uitslag. Die riep Floris juichend over het veld met de handen in de lucht: ‘Hoera, we hebben gewonnen met 2 - 2!’