De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

TWEEDE ZONDAG IN HET A-JAAR 2008
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2008

BOODSCHAP VAN EEN DUIF

 

NAVIGATOR

Ik herinner mij dat ik voor het eerst bij iemand in de auto zat met een navigator. Een wonder was het! Er klonk de stem van een juffrouw die precies wist waar we reden en waar we moesten rijden! Liefdevol leidde ze ons op de goede weg. Ze klonk een beetje onpersoonlijk. ‘Nu rechtsaf’, maar ze wist precies waar we zaten. ‘U hebt uw bestemming bereikt.’ Ze werd nooit boos of ongeduldig. Er kwam nooit een verwijt over haar lippen. Ze gaf ons een gevoel van veiligheid. Haar wijsheid kwam uit de kosmos. Een satelliet, hoog boven de aarde, was haar wakend oog. Ze had goddelijke eigenschappen. Als ik een stukje ga fietsen tegenwoordig, dan rijd ik met hulp van de navigator, feilloos naar mijn startplaats. Werkelijk een staaltje van menselijk vernuft. ‘Nu de pijlen volgen’ zei ze berustend toen ik de nieuwe Westerscheldetunnel inreed. ‘t Moest voor haar de zee zijn!

DUIF

Ik fietste in Haspengouw. Een witte bestelauto zonder opschrift en geblindeerde achtervensters was me al twee keer voorbij gereden. In een bocht zag ik hem in de berm staan. De chauffeur was uitgestapt en opende de laadklep. Daar vlogen wel honderd duiven uit. Ze volgden elkaar en klommen in groter wordende cirkels de zon tegemoet. Het was een majestueus gezicht. Wat gebeurde er in hun tere lijfjes? Welke gegevens verzamelden hun zintuigen om de weg terug te vinden? Mijn Tom-tom verbleekte hierbij.
Het aardmagnetisch veld, verschillen in warmtestraling van de aarde, waarneming van golflengte en frequentie van het zonlicht, gerelateerd aan de biologische klok..., we zijn er nog steeds niet achter hoe de duif de weg naar huis vindt. Geen wonder dat deze afstammeling van de dinosauriër indruk op mensen heeft gemaakt. Uit Egyptische tekeningen blijkt dat boodschappen van Farao’s al door postduiven werden verspreid, 2000 jaar voor Christus. Zeelieden kondigden er hun thuiskomst mee aan als hun boot, vol verse vis, de markt naderde. De held Noach liet een duif los om te zien of hij een haven vond. De duif is vrede tussen hemel en aarde. De duif is liefde en verliefdheid. De duif is een symbool van het wonder van de schepping.

LAM EN DUIF

Waar haalt een mens het idee vandaan dat er een God is die om hem geeft? Waar vinden we sporen van het goddelijke? Is God in het geweld van de bliksem? Men heeft het gedacht vroeger. Is Hij in de uitbarsting van een vulkaan, een vuurzuil in de nacht? Men heeft het geloofd. Is Hij in een aardbeving of in een ster die van de hemel valt? Men heeft het ervaren. Maar God woont niet in het spektakel, niet aan de buitenkant van de dingen. Men ging de aanwezigheid van het Goddelijke zoeken in een zachte bries, in het leven van een rechtvaardige, in het lijden van een onschuldige, in een kind. Het beeld van God is niet de wolf maar het lam. God typeer je eerder met de duif dan met de havik. Een vogel die van ver uit de hemel neerstrijkt en die zonder dat je het voelt op je schouder landt. Zo is God. Hij is geen steen uit de hemel maar een klopje op de schouder.

BODE VAN GOD

In het levensverhaal van menig mijnwerker komt de liefde voor de duiven ter sprake. Kostelijke verhalen! Over de zondagochtenden waarop de kinderen tot de middag niet buiten mochten spelen. Over ruzies met buren die katten hielden. Over allerlei trucjes. Ik herinner me een liefhebber die de vlucht elke duif persoonlijk waarschuwde om snel thuis te komen ‘anders’ -zei hij - ‘ga je de soep in!’ De duif met zijn sierlijke vlucht moet een compensatie zijn geweest voor het leven in de donkere nauwe mijngangen. De duif vertolkt onze droom naar vrijheid. De duif is de bode van God.
Jan de doper zag Jezus. Hij zag een lam, een lam van God. Hij zag een duif. Een duif van God. Hij zag een onschuldige, een slachtoffer. Hij zag geen heerser maar een dienaar. Vandaag kijken we met hem mee.

DE DOOP

Lieve kinderen. ‘t Was zondagmiddag. Ik stond in de dagkapel te wachten op Stef. Stef was een manneke van 3 maanden. Hij zou worden gedoopt. Daar hoorde ik wat bij de deur. Iemand duwde er keihard tegen terwijl hij moest rekken. Dat was Maya. Maya was de oudere zus van Stef. Ze was al een jaar of vier. Ze wilde alles regelen. Daarom liep ze voorop. ‘Je moet trekken!’ riep haar opa. Maya trok en -boem- daar kreeg ze de deur tegen haar hoofd. En dat hoofd zat al zo vol. D’r zat plezier in gepropt want het was feest vanmiddag. D’r zat ook boosheid in want Stef kon niks. Hij huilde veel en stonk en iedereen was uren met hem aan het tuttelen. Ze hadden nog geen tijd meer om met haar te ganzenborden. D’r zat ook een beetje angst in haar hoofd. Als Stef het maar niet te koud had en als hij maar niet in het water zou vallen. Er zat veel in Maya’s hoofd en toen dat, Boem!, tegen de kerkdeur botste sprongen de tranen uit haar ogen en ze begon heftig te snikken. Onmiddellijk schoten er drie tantes, een opa en een vader op haar af. Ze werd opgetild en sussend toegesproken, maar het hielp niet. Maya wilde alleen maar getroost worden door mamma. Mamma begreep dat. Ze was ook veel te lang met Stef bezig geweest. Ze gaf het manneke aan oma en nam Maya in haar armen. ‘Die rotdeur ook, we zullen het de pastoor zeggen!’ Ze kuste Maya op het hoofd. ‘Ik heb mijn grote meid hard nodig vanmiddag.’ Er volgden nog twee naschokken en toen was Maya alweer de oude. Dus even later wilde ik de doop beginnen. En toen zei Maya keihard: ‘Jouw deur gaat de verkeerde kant op!’ ‘Dat heb ik al voor jou veranderd’, zei ik. ‘Als je dadelijk naar buiten gaat, kun je gewoon duwen.’ Maya straalde. Het is niet makkelijk om een jonger broertje te dopen, maar het is wel leuk.