De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

DERDE ZONDAG IN HET A-JAAR 2008
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2008

MEEGAAN

 

HAMELEN

‘Ga je mee?’ Alleen kinderen doen dat, zonder reserve. Menig ouder houdt zijn hart vast! ‘Stap maar in; gaan we naar Legoland!’ Geen probleem voor ze. Als er vroeger een harmonie door de straat wandelde, liepen de kinderen er dansend achteraan. Ook een lief hondje of een gekke clown hebben dat effect. Kinderen zitten nog niet gevangen in hun situatie. Ze zijn mobiel. Vraag het de rattenvanger van Hamelen!
‘Kom maar met me mee!’ riep Jezus tegen de broers en die lieten alles in de steek! Je kunt bijna niet geloven. Je verdenkt Matteüs van overdrijving.

VRIJE JONGENS

We kunnen ons eenvoudig niet voorstellen hoe vrij een mens vroeger was. Ongelooflijk, de broers begonnen van de ene minuut op de andere een nieuw leven. Er was ook weinig dat hen bond aan huis en haard. De mensen waren arm, hun huis schamel en de haard koud. Het was ook niet nodig om een verhuisbericht rond te sturen of de gemeente te waarschuwen; je hoefde de gas- en waterleverancier niet te verwittigen, het telecombedrijf niet te informeren, de automatische overschrijvingen niet te blokkeren, de ziekteverzekering niet op de hoogte te brengen of de notaris te verwittigen. Het was zelfs niet nodig een back-up van de voornaamste bestanden te maken of een bewakingsdienst te bellen. Familieberaad hoefde niet plaats te vinden. Toestemming van de school was niet nodig. Je pensioen kwam niet in gevaar. De krant hoefde niet te worden opgezegd. De mensen konden van de ene op de andere minuut beslissen: nu doen we het eens anders! Plotseling realiseer ik me hoezeer het moderne comfort ook mijn gevangenis is!
Andreas en Petrus waren vrij. ‘Kom we gaan mee met die man uit Nazareth. ‘Leuk’, riepen ook Jakobus en Johannes. Pappa Zebedeüs bleef berustend bij zijn netten zitten. Het werd ook tijd dat de jongens eens op eigen benen gingen staan!

WERVEND IDEAAL

Dat is de ene kant. Aan de andere kant staat Jezus van Nazareth die een enorme overtuigingskracht moet hebben gehad. De mannen werden meegesleept door Jezus, door zijn overtuiging dat de werkelijkheid van God dichtbij was. Gods Koninkrijk was voor Jezus geen vaag concept, het was geen theologische notie of een wijze van spreken; het was voor Jezus een levensgevoel. Jezus zag en voelde hoe onder het oppervlak van de dagelijkse dingen een licht schuilgaat van de Schepper, en soms spat het er uit. Jezus geloofde in de gezondheid van de melaatse. Hij zag de mogelijkheden van de lamme. Jezus besefte dat er een schone lei was voor de zondaar. Hij zag hoe brood met iedereen gedeeld wil zijn. Er zijn zoveel mogelijkheden in de schepping om God te onthullen. Jezus was er vol van. En hij greep de kansen. ‘Ga heen en zondig niet meer.’‘Sta op en loop!’ ‘Deel je bezit uit!’ ‘Geef iedereen te eten.’ ‘Je zonden zijn vergeven!’
De wereld wachtte verlamd op het moment waarop God de geschiedenis een wending zou geven. Profeten meenden dat opstand de onderdrukker kon verdrijven. Geleerden probeerden met spitsvondigheden Gods afwezigheid te verklaren. Dan komt Jezus en hij zegt: ‘Voel je dan niet hoe dichtbij God is? Besef je niet dat je zijn Koninkrijk in handen hebt?’ Andreas en Petrus lieten alles liggen en gingen mee!

MOGELIJKHEDEN

De gelovige ziet niet de harde feiten maar de mogelijkheden. De gelovige ziet hoe de wereld geschapen is boordevol kansen om er een land van God van te maken. Je kunt mooie dingen doen met je vissersnetten, maar ontdek eens wat de Geest van Barmhartigheid kan!

OLIEBOLLEN

Lieve kinderen. Floor had het zo in zich. Als ze op het strand lag dan keek ze naar de wolken. Maar Floor zag geen wolken. ‘Kijk, mamma, zie je dat, dat is een auto!’ En ‘kijk’, ze wees naar de wolk daarnaast, ‘dat is een oliebol.’ ‘En daar, een schaapje, wat lief.’ Floor kon in de wolken de hele wereld zien en dat is een kunst. ‘Kijk, wat grappig, daar gaat Donald Duck!’ En als Floor een bord stamppot voor zich had dan zag ze geen stamppot maar een landkaart. ‘Kijk, riep ze, wat een hoge berg. Dat is de berg van kabouterland.’ Ze pakte de achterkant van de vork en kliefde een spleet door de stamppot. ‘Kijk dit is een rivier.’ Met beide handen pakte ze haar glas water, tilde het op, maar mamma was haar voor. ‘Floor, niet spelen met het eten.’ Mamma begreep zulke dingen niet. Floor wilde best eten, maar de berg van kabouterland was lekkerder dan stamppot, zeker als er water door stroomde. Op de slaapkamer zag floor een beer op het behang. Pappa zag een vochtplek maar een beer is mooier. En soms, als het donker werd, dan hoorde Floor de beer zachtjes brommen. Floor zag niet alleen wat de dingen waren, maar ze zag ook wat ze konden zijn. Floor keek met fantasie. ‘Ik ga met de poppenwagen wandelen’, riep Floor. ‘Ja, maar niet de straat uit.’ Toen Fleur terug was van haar rondje schrok mamma zich rot. ‘Wat heb jij in de wagen?’ ‘Dat is mijn baby!’ zei Floor blij. Floor had onder de heg een poesje gevonden en ze had het in de kinderwagen gezet. ‘Maar Floor, dat is niet van jou.’ ‘Maar het is ziek en het wilde bij mij zijn.’ Als het aan Floor lag dan zou de wereld voor mooier zijn. De lucht vol oliebollen; zielige poesjes en hondjes in een warm huis; zwervers van de straat en lieve beertjes op het behang. Maar het zal nog even duren voordat het aan Floor ligt!