De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

VIERDE ZONDAG IN HET B--JAAR 2009
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2009

ONTZETTING

 

TOETSEN OP ZWAKKE PLEKKEN

Een moeder had het er moeilijk mee! De leerkracht van de basisschool had om een gesprek gevraagd. De directeur was er bij geweest. Men had haar bezworen dat haar dochter beter af was op een school voor speciaal onderwijs. Daar zou ze meer aandacht krijgen, en dan kon ze haar achterstand beter inhalen. De moeder was niet overtuigd. Haar dochter zou worden opgehaald in een busje; ze zou niet meer met de kinderen uit haar straat naar school kunnen gaan. En zou ze op die andere school niet juist achteruit gaan? Een week later al, zat de vrouw met haar dochter op de nieuwe school. Een gemoedelijke directeur bladerde in zijn papieren. Hij knikte. ‘Zo, Tamara’, zei hij tenslotte opgewekt. ‘Ik zie dat je wat drukker, bent dan andere kinderen..., gauw afgeleid..., en dat lezen niet zo makkelijk gaat... We gaan je helpen, meid!’ De moeder wilde protesteren. Waarom begon de directeur met het opsommen van alle fouten van haar lieve dochter? ‘Tamara is erg lief voor puppy’s en computeren doet ze beter dan ik!’ De directeur lachte eens en deed de map dicht. ‘Koffie?’

STERKE KANTEN ONTDEKKEN

In het Belgische Genk ligt een Grieks orthodoxe kerk. Daaraan was een diaken verbonden, afkomstig uit de Oekraïne. Hij vertelde me over zijn dochter. Die studeerde in België opvoedkunde en had een artikel geschreven over het onderwijssysteem in de Oekraïne. Ik kan niet beoordelen in hoeverre zijn verhaal ideaal en werkelijkheid vermengde, maar zijn woorden maakten indruk op me. ‘Kijk’, zei hij, ‘aan het begin van een nieuw schooljaar moet elke onderwijzer in de Oekraïne kennis maken met zijn leerlingen. Het is zijn opgave om in iedere leerling de sterke kant, het bijzondere talent, te ontdekken. Elk kind heeft goede eigenschappen. Dus niet: de zwakke punten opsporen met toetsen bij peuters om vervolgens daaraan te gaan werken, maar juist de goede kansen grijpen. Dat bevordert de eigenwaarde. De zwakkere punten komen vanzelf aan bod. Alex is goed in schaken... Cecile kan pianospelen... Bram heeft veel lef en Igor houdt van dieren...’

HET GOEDE IK TEVOORSCHIJN ROEPEN

Jezus bezoekt de synagoge in Kafarnaüm. Hij is nog maar net begonnen met zich in het openbaar uit te spreken over de wet en over God; over liefde, leven en dood. Zijn preek maakt diepe indruk. Jezus spreekt met gezag. De kracht van zijn argumenten ligt niet in de spitsvondigheid van oude citaten maar in zijn wezen, zijn optreden, zijn daden. Plotseling onderbreekt iemand hem. Een man in zijn gehoor begin te schreeuwen. Hij spreekt wartaal. ‘Komt u ons vernietigen?’, roept hij tegen Jezus. Jezus wordt niet boos. Hij voelt zich zelfs niet afgeleid. Hij ziet immers niet een slechte man voor zich, een ordeverstoorder, een ongelovige. Nee, Jezus ziet een mens die in wezen goed is, een tempel van God, een beeld van de Eeuwige. En die mens wil hij te voorschijn roepen, want in díe mens gelooft Jezus, en het kwaad dat hem bezeten houdt gebiedt Jezus te gaan. Dát is het geloof van Jezus. Als je in een schepper gelooft, dan probeer je in elke mens iets van Zijn glans te zien. Godsgeloof is eindeloos je best doen om het goede in anderen te zien.

MET GEZAG

‘Het meest bijzondere van vader’, vertelde een dochter, ‘dat was dat hij in andere mensen altijd het goede wilde zien. Als er thuis wel eens verteld werd over de fratsen van een tante of de avontuurtjes van een achterneef of de mislukkingen van een oud-collega, dan onderbrak mijn vader ons. ‘Hou nu eens op!’, zei hij dan. ‘Het is zo makkelijk om iemands tekorten te benoemen. Vertel eerst maar eens iets goeds, dan praten we verder!’
De luidruchtige bezetene in de synagoge van Kafarnaüm was voor Jezus geen stoorzender. Hij bood Jezus de gelegenheid om te demonstreren wat hij juist aan betogen was. Jezus had uitgelegd dat het Rijk van God nabij was; dat het elk moment kon doorbreken. En toen was die verwarde kerel uit geflipt. Jezus' woord bracht hem tot zichzelf, zijn goede ik. ‘Deze man preekt niet zoals de Farizeeën’, zeiden de mensen tegen elkaar, ‘maar als iemand met gezag!’ Jezus veroordeelt niet maar ziet de goddelijke kanten in elk mensenkind.

OVER HET RANDJE

Lieve kinderen. Ik was eens met Jorg aan het wandelen. Jorg probeerde altijd over de randjes te lopen. Het randje van de stoep, het randje van het muurtje of het hekje. Zonder dat ik het in de gaten had, stond hij op een paaltje. Het paaltje viel onder zijn gewicht om. Een vrouw, die in de tuin stond te werken, zag het. Ze ging rechtop staan, zette de handen in de zij en begon te schelpen! ‘Kwajongen! Moet je mijn tuintje vernielen? Maak dat je wegkomt en zeg tegen die meneer dat hij je wat beter opvoedt!’ Jorg had haar lachend laten uitpraten en zei toen rustig: ‘Sorry mevrouw, ik deed het niet met opzet!’ Een straatje verder begon ik erover. ‘Wat bleef je daar toch kalm onder, Jorg!’ ‘Och’, zei Jorg en hij haalde zijn schouders op. ‘Dat heb ik van Bruno geleerd.’ ‘Zo, dat is een wijze man, die Bruno.’ ‘Dat is zeker een wijze’, bevestige Jorg. ‘Het is mijn hond!’ ‘Je hond?’ ‘Ja, als die hard blaft, dan is hij niet boos, maar dan is hij bang. Die vrouw in de tuin is een beetje bang voor wilde jongens maar ze is best een lieve mevrouw, hoor! Blaffende honden bijten niet!’, besloot hij wijs.