De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

CARNAVAL EN ZEVENDE ZONDAG IN HET B--JAAR 2009
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2009

ZIEN EN GELOVEN

 

PRINS CARNAVAL

Het is carnaval en dat doet me denken aan die prins die tegelijk met de pastoor bij de hemelpoort arriveerde. Petrus geloofde zijn ogen niet! Hij ontving de prins met een diepe buiging en bracht hem naar een sjieke kamer met engelengezang en heerlijke wijn. De pastoor moest op een houten bankje wachten in de tochtige hal. Toen hij zich daarover beklaagde, zei Petrus: ‘Ja ziet u, u bent al de 976ste pastoor die we hier ontvangen maar dit is onze eerste prins!’ Petrus wist niet wat hij zag!

OBAMA

Zien is geloven! Moderne mensen willen alles zelf gezien hebben. Dan bestaat het pas. Vroeger lachten we wel eens over bussen vol Japanse toeristen. Vanuit het raampje fotografeerden zij alles wat er voor de lens kwam. Ze leken geen tijd te hebben om rond te kijken en de atmosfeer te proeven - als ze maar de foto hadden! Tegenwoordig maak je die foto met je mobieltje, zodat je hem met één toets naar al je vrienden kunt sturen.
Enkele weken geleden hield de KRO een studiedag voor parochies. Een journalist vertelde: ‘Dat Obama de president van de VS is geworden, dat geloven de mensen pas, als ze in de krant de foto hebben gezien, waar hij achter zijn bureau in het Witte Huis een telefoongesprek voert. Waarschijnlijk zit hij naar de bezettoon te luisteren, maar de wereld weet nu dat hij de baas is. En toen Obama op de verkiezingsavond met zijn vrouw overal een dansje maakte, was er geen van de omstaanders die naar hem keek! Alle blikken waren omhoog gericht, naar het lcd-schermpje van de telefoon, waarmee iedereen een foto stond te maken. Zien is geloven.

DE VOORKRUIPER

De mensen in Kafarnaüm voor de deur waar Jezus logeerde, hebben mopperend aangezien hoe vier mannen op het dak waren geklommen met een bed waarop een lamme lag. De mannen hadden brutaal een gat in het dak gemaakt en de lamme naar beneden laten zakken. Brutale voorkruipers waren ze! Ineens was de lamme van zijn bed opgestaan. Triomfantelijk had hij zijn matras onder de arm genomen. Trots liep hij naar huis. Zoiets hadden ze nog nooit gezien, schrijft Marcus. Zien is geloven!

ZIEN WAT JE NIET ZIET

Of toch niet? De omstaanders die zich vergapen aan het medisch hoogstandje, zien Jezus met verbazing toe. Maar daarmee hebben zij zich Jezus’ geloof nog niet eigen gemaakt. Want Jezus geloofde al in het lopen van de lamme toen deze nog op zijn bed lag. Jezus ziet achter de schijn van de wereld de contouren van God koninkrijk. Jezus’ geloof laat hem in de zieke een gezonde zien. In de schuldige, laffe mens een fris, nieuw gezicht; in een schaaltje met vijf broden een feestmaal voor alle gasten en in een onrechtvaardige wereld gerechtigheid voor allen. Jezus kijkt niet als wij allemaal, maar hij voegt er het verlangen naar Gods koninkrijk aan toe; en dát maakt zijn geloof uit. De mensen in Kafarnaüm geloven ín Jezus, maar ze geloven nog niet áls Jezus. Ze verbazen zich over wat ze te zien krijgen, maar ze doen zelf nog geen wonderen; ze zijn nog niet overtuigd van hun eigen kracht om van de wereld Gods koninkrijk te maken. Zien is geloven. Maar geloven is ook zien wat jij nog niet ziet: een wereld die uit Gods liefde voortkomt en waarin we wonderen kunnen doen.

GIRAFFEHALS

De mens wil eerst zien. Dan gaat hij pas geloven. Neem dat Londense restaurant! Het adverteerde met de leus: ‘U kunt hier alles bestellen! Als we het niet hebben, krijgt u 500 pond.’ Een voorbijganger leest het met verbazing. ‘Eerst zien en dan geloven’, is zijn motto. Hij kiest een tafeltje en bestelt een sneetje roggebrood met een schijfje gebakken giraffehals. Als de ober met de bestelling in de keuken is, breekt daar een enorm gekrakeel los. De kok komt tenslotte naar de gast toe met 500 pond en verontschuldigt zich: ‘Sorry, meneer, het is in tien jaar niet meer gebeurd, maar al het roggebrood is op!’

SPOEDEISENDE HULP

Lieve kinderen. Ruud was gevallen. Keihard gevallen. Tijdens het voetballen was hij in volle vaart gestruikeld over het been van een tegenstander. Hij ging keihard op de grond en zijn scheenbeen deed vreselijke pijn, hij durfde er niet eens naar te kijken. Iedereen had geprotesteerd. De scheidsrechter kwam er bij en de coach. Niemand durfde hem op te tillen. ‘Pas op, misschien is het gebroken’, hoorde hij roepen. Voorzichtig werd hij op een brancard gelegd en nu lag hij op een bed in het ziekenhuis. Hij was niet de enige voetballer die zondagmiddag! Het was druk op de Eerste Hulp. Intussen was mamma aangekomen. Ze was naast hem gaan zitten en wreef door zijn haar. ‘Is de dokter er al geweest?’, vroeg ze. ‘Nee’, kermde Ruud. ‘Wat?’, zei mamma boos. Met een ruk stond ze op. Ze liep een grote witte klapdeur binnen waarop met rode letters stond: GEEN TOEGANG! Toen hoorde Ruud haar op hoge stem tegen de verpleger praten. Die zei sussend. ‘Rustig, mevrouwtje, we hebben het druk; hij komt zo aan de beurt.’ ‘Maar hij ligt er een half uur zonder dat er een dokter is geweest.’ ‘Mevrouw, we handelen de patiënten niet af naar binnenkomst maar naar ernst.’ ‘Maar u weet toch niet hoe ernstig het met Ruud is; u hebt nog niet gekeken.’ Ruud begon zich een beetje te schamen, maar daar kwam mamma al aan met de verpleger. En al gauw stond er ook een dokter bij en even later kwamen er grote apparaten binnen. Als je later aan Ruud vroeg hoe het was in het ziekenhuis, dan zei hij heel eerlijk: ‘Het was verschrikkelijk. Ik was heel erg bang. Ik lag er helemaal alleen..., maar toen kwam mamma!’