De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

KERSTNACHT 2001
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2000

KERSTGELOOF EN -ONGELOOF

TUINFEESTJE
Het was de week voor kerstmis. Ik was onderweg. Ineens zag ik een vrouw in ochtendjas haar huis uit sluipen. Ze sleepte een kerstboom achter zich aan. Er hing nog wat engelenhaar tussen de takken. Ze liep ermee naar de zijkant van de garage om hem tussen de coniferen weg te moffelen. Ik kon niet laten iets te zeggen. ‘U gaat er een tuinfeestje van maken?’ Maar ik had al spijt van de vraag. De vrouw voelde zich betrapt. Ze keek geïrriteerd en snauwde: ‘Ik baal van kerstmis!’
Er volgde een gesprek, binnen bij een kop thee. Gisteren had ze de boom opgezet. Ze had er eigenlijk niet aan willen beginnen. Het was haar eerste kerstmis sinds de dood van haar man. En dan die oorlog en die aanslagen almaar op de televisie. Bovendien was er een dochter in Budel die ze sinds Henks dood niet meer had gezien. Maar de andere kinderen hadden haar bezworen dat het leven verder ging. Haar oudste kleinzoon Roy had zijn oude computer gebracht met spelletjes erop, Lingo en zo. Hoe het werkte zou hij nog wel eens komen uitleggen. Dat was drie maanden geleden, lieve jongen... Ze moest dus niet zielig doen. Een boom zou gezelligheid brengen.
Ze had zich laten overhalen. Met tegenzin had ze een boompje gehaald. De weeïge melodietjes in het winkelcentrum hadden haar gek gemaakt. ‘Ik kon de draden van de luidsprekermasten wel doorknippen!’, zei ze. Met een bezwaard hart en de pijn van Henk die er niet was, had ze de boom versierd. Het was een toer geweest om hem rechtop in de standaard te krijgen. Daar had ze nog om gelachen. Ze had naar boven gekeken en tegen Henk gezegd: ‘Dit vind je leuk, hè!’
Toen de lampjes. En de ballen... Ze was er steeds droeviger van geworden. Maar het ergste kwam toen de boom klaar was, toen ze ernaast zat. ‘Zo nou zit ik naast de boom’, had ze gedacht. Naast de boom en naast de telefoon en ze voelde zich ellendig. In de slapeloze nacht die volgde had ze zich heilig voorgenomen om de boom weg te doen, voorlopig eerst maar ergens verstoppen. De kinderen mochten hem niet zien. Ze had het onmiddellijk na het ontbijt gedaan. ‘Weet u, ik vind het niet eerlijk. Mijn man was juist begonnen het werk af te bouwen. We kregen weer tijd voor elkaar. Hij had zo’n lol om de kleinkinderen. En toen ineens...’ Het werd een lang gesprek over onrecht op aarde. Over kinderen met afgerukte ledematen in Afghanistan en over aids-patiëntjes in Afrika.
Deze vrouw bracht onder woorden hoe onrechtvaardig het menselijk bestaan was. Haar ongeloof ontroerde mij.

WERELDFEEST
Onder haar bitterheid schemerde een verschrikkelijk mooi ideaalbeeld van de wereld. Het hart van de vrouw eiste een wereld waar recht wordt gedaan, waar kwaad gestraft wordt en goedheid beloond; waar kinderen bemind worden en Henk niet hoeft te sterven. De vrouw leefde met een droomwereld in haar hoofd en daarom kon ze zich niet verzoenen met het bestaan dat ze zag om zich heen. Diep in haar lag de hoop op een Godsrijk. Dat ze dat niet vond, maakte haar boos.
Dit is een verhaal van alle tijden.
Diep in onze ziel ligt een goddelijke blauwdruk van hoe de schepping zou kunnen zijn. Een idee van mensen die elkaar het bestaan van harte gunnen. Een beeld van een wereld zonder terreur en antiterreur. Juist dat ideaal kan ons tot wanhoop brengen; de werkelijkheid valt zo ontzettend tegen. Soms zingen we uit armoede ons liedje van verlangen over een witte kerst en soms worden we boos en opstandig.
Lieve mensen. Dit is vannacht aan de orde: kunnen wij, die van vrede dromen, ons verzoenen met een wereld van tekorten en bombardementen?
Komt de kerstboom op het bijzettafeltje of tussen de coniferen?

VERZOENING
We zijn te zeer aan het verhaal gewend. Het schokt niet meer, terwijl dat de bedoeling was. Het beeld is romantisch geworden, terwijl het schrijnend was. Een man en een vrouw met een kind, in een omgeving van Anton Pieck.
De waarheid is anders. Tijdgenoten van Jezus gingen gebukt onder een onderdrukking die al generaties duurde. Hun cultuur werd vernederd. Hun idealen gesmoord. Theologen speculeerden op een ingrijpen van God. God kon toch niet werkeloos blijven toezien bij het onrecht dat zijn volk werd aangedaan!?
Nou komt het schokkende. God hééft ingegrepen. Lucas vertelt over een kindje dat geboren is aan de rand van de samenleving, ergens in de periferie. Een kind groeit op in een bezet land. Hij voelt zich aangetrokken door het lot van ontheemden, melaatsen en zieken. Hij deelt tenslotte het lot van misdadigers aan het kruis. Lucas kan zich verzoenen met het onrecht op aarde omdat hij gelooft dat God solidair is met mensen in hun ellende.
In dit spanningsveld van de hoop hoe-het-moet-zijn en de angst dat het-niet-zo-is klinkt het verhaal van God die kiest voor dit verwonde kind in Palestina. God staat aan de kant staat van de 55-jarige vader die sterft. Gods hart gaat uit naar de vertrapte Taliban-soldaat en de omgekomen brandweerman in New York...
Jezus werd geboren in een stal. Hij was solidair met de mensen die onrecht lijden, met kleine en zondige mensen. Dat moet genoeg zijn voor ons om ons te verzoenen met dit bestaan. Ik zeg verzoenen; niet begrijpen!
Ik nam nog een slok thee en zei: Weet je wat we doen? Op de plek van de kerstboom zetten we de foto van uw man en we leggen daar de kerstverlichting omheen en wat takjes van de boom en kerstkransjes voor de kleinkinderen.’ Ze keek met een beetje hulpeloos aan. ‘Dan kom ik met kerstmis langs en dan zingen we samen: Er is een kindeke geboren op aard, ‘t kwam op de aarde en ‘t droeg al zijn kruis...’ Maar ze wuifde het weg. ‘Daar zult u het veel te druk voor hebben...’ ‘Nou dan doen we het zo: als ik in de kerk zing ‘Er is een kindeke’, dan denk ik aan u en uw man. ‘Afgesproken’ zei ze.