De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

VIJFDE ZONDAG DOOR HET JAAR 2001
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2001

WEES STRALEND!

DAGEN LENGEN
De meester had het duidelijk uitgelegd. Als je een voorwerp verwarmt dan zet het uit. Een spoorrail wordt langer als de zon erop schijnt. ‘Wie kent nog een voorbeeld?’ Jantje stak de vinger op: ‘De dagen. Die worden in de winter korter en in de zomer langer!’
Precies. De lente komt, het wordt lichter, de dagen lengen en daarom vieren we van oudsher carnaval. Mensen hebben licht nodig.

SCHAAMTE OF TROTS
Emiel was een schuchtere jongen met twee linkerhanden en twee linkervoeten. Hij stotterde. Het leek wel alsof zijn ouders zich een beetje schaamden voor hun kind. Bij het vormsel kwamen ze met hun zoon tot voor de bisschop. Het is een mooie oude gewoonte om het sacrament toegediend te krijgen terwijl je bij je naam genoemd wordt. ‘Mireille, wil je Willen als je man?’, ‘Geert ik zalf je met olie...’ Daar stonden de ouders. Ze mompelde wat binnensmonds: ‘Dit is onze Emiel’. De bisschop vroeg ‘Is dat Emiel?’ Maar de ouders verstonden het verkeerd. Ik hoorde hoe ze het enkele dagen later Emiel voor de voeten wierpen: ‘De bisschop vroeg ook al: ‘Is-t-ie debiel...’
Er zijn woorden die je maken en woorden die je breken. Er zijn woorden die leven wekken en woorden die doden. ‘Daar heb je haar weer...’ ‘Jij mag niet meezingen, je bromt’, ‘Je hebt ook altijd zo’n trutterige kleren aan’, ‘Denk je dat je leuk bent’, ‘Nee ik ga liever alleen uit’, ‘Daar heb je hem weer’. Er zijn ook woorden die iemand in het zonnetje zetten: ‘Leuk dat ik je zie, welkom’, ‘Wat goed van je’, ‘Blijf nog even’, ‘Wanneer zie ik je weer?’ ‘Dank je wel, je hebt veel voor me betekend.’ Een mens heeft licht nodig.

ZOUT TEGEN BEDERF
Ik zat te eten in een restaurant. Er zaten veel oude mensen. Het restaurantje lag tussen flats waar veel bejaarden woonden. Ik keek mijn broer aan: ‘Hoe vind je de soep?’ Ik vond hem verschrikkelijk zout. Mijn broer begon te lachen. ‘Als je ouder wordt proef je steeds minder’, zei hij, ‘daarom worden de papillen extra gestimuleerd.’ Ik keek wat ongelovig om me heen. Naast me zat een oude man. Hij pakte net het zoutvaatje en hield het onderstboven boven zijn soep terwijl hij met zijn linkervuist enkele keren op de bodem sloeg.
In Jezus’ tijd werd het zout niet gebruikt voor de smaak. Het werd vooral gebruikt om bederf van voedsel tegen te gaan. Daarvoor had men veel zout nodig. Mensen aten erg gezouten. Zout was kostbaar. Als Jezus zegt: jullie zijn het zout van de wereld, dan bedoelt hij niet dat wij de wereld smaak moeten geven, maar dat we moeten zorgen dat de wereld niet bederft en weg rot.

VOGELTJE
Ik zat in de stoptrein naar Maastricht. De vrouw tegenover mij hield haar tas op schoot stevig met beide armen omkneld. Toen er een slordig jongmens met een ring door de wenkbrauw de coupe was gepasseerd keek ze me aan. ‘Je kunt niet veilig meer leven. Mijn moeder is vorige maand op klaarlichte dag overvallen in de Brugstraat. En dan hebben wij het nog goed. Die arme Amerikanen. Het wordt iedere dag gekker en erger.’ De trein stopte in Valkenburg. Het was een week voor Karnaval. Een verklede man stapte binnen. Nou ja, stapte, hij waggelde. Je rook de drank op grote afstand. Hij liet zich vallen en zong: ‘Vogeltje wat zing je vroeg...’ De vrouw keek strak de andere kant uit, de nacht in. Ik voelde haar denken. Weer een bewijs hoe rot de wereld was. Verslaafden die alleen hun eigen kick zoeken. Terroristen, oorlog, honger... Ze was bang dat de carnavalvierder haar zou lastig vallen. Trouwens niemand in de coupe durfde zich te roeren. De man riep schor en onverstaanbaar en zong weer verder Vogeltje..., is de dag niet lang genoeg...’Met piepende remmen stopte de trein in Meerssen. De man stond moeizaam op. Hij werkte zich naar de deur, wilde uitstappen en viel toen languit met een vloek plat op het perron. Even was het doodstil in de coupe waarop iemand de algehele opluchting onder woorden bracht: ‘Doa geit ‘t veugelke!’ (Daar gaat het vogeltje)
Jullie moeten de ondergang van de wereld tegengaan, zegt Jezus. Jullie moet zout zijn dat bederf tegengaat. Hoe doe je dat? De wereld is groot. Het kwaad is massief.

GA STRALEN!
De suggestie die Jezus doet is onthutsend. Hij zegt: ‘Ben gewoon jezelf. Ga in het zonnetje staan. Ga bovenop de standaard staan en laat je licht stralen. Laat je van je beste kanten zien. Je kunt het bederf van de wereld tegengaan door vrede met jezelf te hebben, door trots te zijn op wat er aan goedheid in je is en het te laten zien aan je omgeving. Schaam je niet voort jezelf. Je bent Gods wonder, net als al die anderen. Kruip niet weg onder een kist maar ga er bovenop staan.
De betekenis van je leven zal daarop worden beoordeeld. Er telt niet wat je allemaal gegeven hebt, niet getallen en uiterlijkheden, maar wel hoe je zelf geweest bent en gestraald hebt in je omgeving.

AAN DE HEMELPOORT
Een rijke man sterft en staat voor de hemelpoort. Petrus kijkt in zijn boek en schudt zijn hoofd. ‘Ik kan u niet binnenlaten.’ De man is verontwaardigd. ‘Staat daar dan niet dat ik in mijn testament 10 duizend gulden aan de kerk heb nagelaten? Weet u dan niet dat ik elk jaar het kankerfonds royaal bedacht en de Memisa? In mij hele leven heb ik bijna een ton aan goede doelen besteed.’ Petrus laat zich vermurwen. ‘Dat is inderdaad heel veel. Ik vraag het eens na bij mijn grote baas.’ Als Petrus terugkomt lacht hij vriendelijk. ‘U boft. Ze hadden goede zin daarboven. Men heeft besloten dat u het geld terugkrijgt.’
Moge Karnaval velen de gelegenheid geven om zich van hun mooiste kant te laten zien!