De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

tweede zondag van pasen 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2001

THOMAS ONTMOET GOD

NOG LEUKER
Een kindje stak de vinger op. ‘Meneer, als de andere kinderen de communie doen ga ik nog iets veel leukers doen, zegt mijn pappa.’ De opmerking irriteerde me. Fijn, dat die vader een feestje aanricht, maar het klinkt wat zielig als dat kindje overtuigd moet worden met de belofte van iets veel leukers. Het communiefeestje moet geen wedstrijd worden in leuk-hebben. Het verhaal van Jezus is Pasen maar ook goede vrijdag!

WIJ IN HET EVANGELIE
Vlak voordat Johannes zijn evangelie afsluit, geeft hij nog gauw een plaatsje aan ons. Wij, die geloven maar Jezus niet hebben gezien, die zijn vergevende adem niet hebben gevoeld, wij krijgen een rol in de figuur van Thomas.

SCHULDGEVOEL
De leerlingen zaten gedesillusioneerd bij elkaar, zonder leider kwijt, zonder idealen. Ze waren ze bang.
In die turbulente paasnacht vol militair geweld waren ze in paniek op de vlucht geslagen. Ze hadden Jezus alleen achtergelaten. Ze voelden zich schuldig.
Zulke schuldgevoelens kennen we zelf ook. Een dierbare sterft. Je weet dat er niets meer kan worden toegevoegd aan wat er was; dat er niets meer kan worden goedgemaakt. Schuld staat toekomst in de weg. Je kunt die ander niet loslaten zolang je dringend nog wat wil zeggen en horen.

BARMHARTIGHEID
Misschien kwam het door hun gebed, of omdat ze eens goed hadden uitgehuild, misschien door het ophalen van herinneringen aan Jezus’ toespraken. In elk geval gebeurde er iets met hun schuldgevoel. Er moet op zeker moment iets van vergeving, van mildheid, in de kamer gekomen zijn, de barmhartige geest van Jezus zelf. Verzoening bracht Hem de kamer binnen.

THOMAS WIL BEWIJS
Later hoort Thomas hun opgewonden verhaal. Hij vindt het te mooi om waar te zijn. Niet, dat Thomas God niet vertrouwt, maar Thomas gelooft zijn vrienden niet. Hij is bang dat zij nu weer met iemand anders dwepen. Hij wil eerst over bewijzen beschikken.
Thomas eist liefst twéé bewijzen. Hij wil de wonden zien van de spijkers in Jezus’ handen, én hij wil de doodssteek zien die de lans in Jezus’ zijde had gemaakt. Iets anders hoeft hij niet te zien; het gaat hem enkel om de wonden. Sterker nog, Thomas wil Jezus’ wonden niet alleen met eigen ogen zien, hij wil bovendien de zere plekken met zijn vinger aanraken. Zien is niet genoeg. Thomas wil het geheim van Jezus’ leven binnen zijn eigen zintuiglijke wereld brengen.

KIJKEN - VOELEN - PROEVEN
Als kind hebben we de wereld het eerst leren kennen door te ruiken en te proeven. Een schitterend wonder vind ik het gezichtje van een kindje dat voor het eerst een nieuwe smaak met het tongetje proeft. Vervolgens openbaarde de wekelijkheid zich ook in ons voelen, door te strelen en gestreeld te worden. Tenslotte leerden we kijken; dat is tasten op afstand. Nog altijd, als wij met de ogen iets ontroerends waarnemen, brengen we dat terug naar onze handen; we willen het voelen ook. ‘Verboden aan te raken’, staat daarom in musea bij alle mooie dingen. Want pakken wil je het, even strijken over de huid en beetnemen om het naar je mond of neus te brengen. Dan pas hoort het bij jouw wereld.

THOMAS ONTMOET GOD
Hoe herkenbaar de reactie van Thomas ook is, toch is er iets vreemds aan de hand. Nauwelijks was hij bezig om de dood van zijn vriend te verwerken, nauwelijks was hij het stadium van de ontkenning voorbij, of daar komen de jongens met het sensatiebericht over Jezus die toch leeft. De spontane reactie is natuurlijk: ‘Dan wil ik zelf zijn stem horen en zijn lach zien.’ Maar dat zegt Thomas niet. Thomas wil niet Jezus’ stem herkennen en zijn blik. Nee, het lijkt erop, alsof Thomas die stem niet hoeft te horen en dat gelaat niet hoeft te zien. Hij wil enkel de doodstekenen zien, de littekens. Hij wil zijn vinger leggen op de zere plek.
Het wordt duidelijk dat Johannes ons niet zomaar een anekdote vertelt. Hij behandelt een theologische vraag: kan een mens die geleden heeft, die onmenselijke pijn heeft gehad, die een verlorene leek, kan zo iemand thuis gekomen zijn bij God? Kan zo iemand het leven hebben? Kun je geloven dat het kruis van een mens toekomst heeft?
‘Mijn Heer en mijn God!’ roept Thomas. Hij heeft de wonde gezien en gevoeld en nou kan hij niet anders dan geloven. Voor het eerst noemt een leerling Jezus God. Niet een donderslag of een lichtende wolk, niet de geboorte van een kind of sneeuw op een bergtop hebben hem overtuigd van God maar de wonde van een mens. Het lijden, het kruis, zij schreeuwen om Gods rechtvaardiging.

DE LES VAN THOMAS
Lieve kinderen. Lei zei altijd: ‘Laat me eens zien!’ Mamma was een moeilijk gebak aan het bakken. Het stond in de oven. ‘Laat me eens zien!’, zei Lei. ‘Nee’, riep moeder geschrokken, ‘de oven mag niet open, daar kan de soufflé niet tegen!’ Maar het was al te laat. Lei had het deurtje opengemaakt en het gebak was in elkaar gezakt.
Zo liep ik met Lei in het bos. ‘Kijk’, wees ik, ‘dit staafje is een cocon. Dat is een huisje van een rups. Die heeft dat om zich heen geweven. En nou is ie zich aan het veranderen in een vlinder.’ ‘Laat me eens zien!’, riep Lei. En warempel, ik was nog geen tien stappen verder gelopen of hij had de cocon met een zakmes opengesneden. Hij had geen vlinder gevonden.
Weten jullie wast het probleem van Lei is? Lei heeft de les van Thomas niet begrepen. De les van Thomas gaat zo: sommige dingen kun je niet zien, daar kun je alleen maar op wachten!