De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

DERDE ZONDAG VAN PASEN 2002
© Ad Blijlevens, Voerendaal 2001

DOEN WAT ONDENKBAAR IS

Waarom gingen die leerlingen juist naar Emmaüs? Kwamen zij oorspronkelijk daar vandaan? Dat zou kunnen. Maar de naam Emmaüs doet me iets ánders vermoeden. Emmaüs was immers een vestingstad. Het lag iets dichter bij Jeruzalem dan de vestingstad Naarden bij Amsterdam. Emmaüs was van oudsher de plaats bij uitstek vanwaar de bezetters het joodse volk onder de duim probeerden te houden.
Precies naar die plek keren onze twee aftochtblazers terug. En uitgerekend daar vindt in het Lucasevangelie de eerste verschijning plaats van Jezus aan zijn ontgoochelde tochtgenoten. Midden in dat vijandige legerkamp worden hun de ogen geopend. Daar moet méér achter zitten.

Ik denk dit: de Messiasverwachting die de beide Emmaüsgangers onderweg uitspreken, is geen andere dan de verwachting die veel joden toentertijd koesterden. De Messias, dachten ze, zal Israël bevrijden van het juk van de Romeinen. In Jeruzalem zal hij het startsein geven voor de opstand tegen het Romeinse regiem; en met behulp uit de hemel zal hij de vijand uit het land verjagen.
In zo'n, op geweld berustende, Messiasverwachting is er geen plaats voor een leider die sterft wegens zijn consequente geweldloosheid. Daarom ook konden zelfs de geruchten dat Jezus zou leven, die twee leerlingen er niet van weerhouden om Jeruzalem de rug toe te keren en zich op te sluiten in de vesting, het kruitvat Emmaüs. Zij hadden geen oog voor een langere en geweldloze weg naar de bevrijding.

Pas wanneer Jezus hun de Schriften heeft uitgelegd en wanneer Hij het brood heeft
gebroken op de plaats waar de vijanden van Israë1 zich bij voorkeur légeren, pasdan herkennen zij Hem. En dan kan Hij gevoeglijk weer uit hun gezichtsveld verdwijnen. Want het, gaat niet om Hemzelf, maar om de weg die Hij hun heeft voorgeleefd.
Wanneer Jezus aan die twee de Schriften gaat uitleggen, legt Lucas Hem in de mond: 'Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?' Dat 'moest' heeft natuurlijk niets te maken met een God die lijden en dood op zijn programma zou hebben staan, al wordt dat helaas nog in veel kringen van christenen zo voorgesteld. Nee, het gaat om een heel ánder 'moeten'.
Het 'moest', omdat Jezus kennelijk wilde wat niet kòn, maar wat wel de droom was van Mozes en de profeten: recht doen aan rechtelozen en wapens omsmeden tot ploegijzers. Het 'moest', omdat Jezus bereid was tot het uiterste te gaan van die droom, voor dat visioen uit het boek van de Uittocht en uit het Scheppingslied. 'Moest de Messias dit alles niet doorniaken?' Dat woord, waarin heel de heilige Schrift meeklinkt, tempert overspannen verwachtingen. Het dwingt ons tot redelijkheid, het spoort ons aan tot inzicht in de feitelijke stand van zaken. De hoop moet telkens worden getemperd, omwille van de hoop...

Pasen gaat over de dood of de schaduw van de dood van mensen die samen onderweg zijn en die uitgeteld lijken te zijn. Het Emmaüsverhaal zegt: mensen kunnen daaruit opstaan! Die twee aftochtblazers werden opeens weer uittochtgangers. Ze gunden zich niet eens de tijd om áf te eten. Ze moesten terug naar Jeruzalem, dat wel haar profeten kan doden, maar niet de stem van Mozes en de profeten, niet de stem vooral van Jezus, de Messias, en niet de stem van alle mensen die Hem willen volgen. Pasen betekent een verrijzen uit dodelijke vermoeidheid en uit dood, je hoofd en hart opnieuw afstemmen op dat lied uit den beginnen: Er zij licht in de duisternis, er zij leven in het land van chaos en dood, er zij recht en vrede, genade en trouw. Het is 'Breken en delen, / zijn wat niet kan, / doen wat ondenkbaar is, dood en verrijzenis!'