De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

ZEVENDE ZONDAG VAN PASEN 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

OVERGAVE

Ik vertel u vier verhalen. Ze gaan alle vier over Margriet. Eerst het verhaal van haar vader.

DE VADER
‘Margriet is een lieveling. Ze is misschien niet zo bij de hand als andere kinderen. Maar ze is ontzettend lief. Ik zou haar voor geen goud willen missen. Mensen kunnen me het ergste pijn doen door te vragen: “Hebt u een ongelukkig kind?” Nee dus. Ik heb een gelukkig kind en ik ben een gelukkige vader. Maar soms lig ik wakker ‘s nachts. Dan denk ik aan later, als wij er niet meer zijn. Ik kan niet van Dirk verwachten dat hij met zijn zusje blijft optrekken... Ja, aan doodgaan moet ik niet denken.’

DE MOEDER
Nu het verhaal van haar moeder.
‘Toen Margriet geboren werd zag ik meteen dat ze anders was. Ik wilde het niet zien. Toch bleef het gevoel knagen dat ik een slechte moeder was. Ik had het niet goed gedaan. Het heeft lang geduurd voordat ik durfde zeggen dat ik me schuldig voelde. Ik had wel niet gerookt en bijna nooit gedronken tijdens de zwangerschap; maar ík had haar in deze wereld gezet, zo onvoltooid, zo kwetsbaar. Ze heeft altijd zorg nodig. Wie zal die geven als ik er niet meer ben?’

DE LEIDSTER
Nu het verhaal van een leidster van het dagverblijf.
‘Ik hou van mijn werk. Het is dankbaar werk. De bewoners zijn zo aanhankelijk en dankbaar en levenslustig en echt. Mijn vriendinnen vinden dat ik een zware baan heb, maar ze weten niet wat ze missen. Neem Margriet. Het is ontroerend om te zien hoe ze hier opleeft. Ze vindt het heerlijk als de muziek aangaat en ze gewoon mag mee wiegen met de klanken. Haar ogen stralen als ik haar dan eens knuffel. Ik durf het bijna niet aan haar moeder te vertellen hoe vrolijk ze hier is. De goeie vrouw denkt dat ze onmisbaar is.’

MARGRIET
Tenslotte het verhaal van Margriet zelf.
‘Brigit is lief. Soms gaan we dansen. Dan lachen we. Maar soms ben ik bedroefd. Er gebeuren zoveel ongelukken. Als iemand onder een auto komt. Mamma is ook lief. En mijn pappa is lief. En Dirk. Mamma wordt oud. Ik hoop niet dat ze onder een auto komt. Maar gewoon doodgaat. In bed.’

ZORG OM NABESTAANDEN
Er zijn mensen die zich kunnen overgeven aan de dood en hun wereld loslaten. Zij schudden alle zorgen van zich af en laten de voortgang van de geschiedenis rustig over aan anderen. Er zijn ook mensen die geplaagd worden door angstige scenario’s. Ze zijn doodsbang dat hun kleinkind zich niet zal handhaven in een toekomst van honger, oorlog, terror en straling.
Het is goed te begrijpen dat ouders met een gehandicapt kind zich zorgen maken en bidden: ‘God behoedt degenen die achterblijven.’ Of, zoals onlangs iemand op zijn sterfbed zei: ‘Ik ben niet bang om dood te gaan, maar ik voel me zo rot dat ik mijn vrouw alleen moet achterlaten.’

JEZUS' ZORG OM ONS
Johannes beschrijft hoe Jezus een toespraak voor de leerlingen houdt. Jezus heeft de dood voor ogen. Hij is bezorgd om de leerlingen. Hij bidt voor hen. Als Johannes zijn verhaal opschrijft dan weet hij in welke vijandige wereld de leerlingen terecht gekomen zijn. De Romeinen roeren zich. Ze hebben Jeruzalem met de grond gelijk gemaakt. In Rome hebben Jezus’ volgelingen het zwaar te verduren. Jezus heeft er moeite mee om zijn vrienden achter te laten, meer dan met het sterven zelf. Jezus bidt dat zijn vrienden leven en toekomst mogen hebben, ook als Hij er niet meer is. Aan de ene kant hoor ik bezorgdheid om de nabestaanden, aan de andere kant hoor ik het vertrouwen dat God toekomst zal schenken. Er komt een moment waarop een mens zijn totale machteloosheid moet erkennen en zijn ogen moet sluiten, op hoop van zegen. De wereld zal verderdraaien, zonder ons. Zonder ons maar niet zonder God. Het is die overgave waarover Johannes ons vertelde vandaag.

MOEDERDAG-CADEAU
Lieve kinderen. Ik kwam Marlies gister tegen in de stad. ‘Zo ben je alleen op stap?’ Marlries keek trots en knikte ‘Ja’. ‘Pappa is in de lunchroom, ik moet iets kopen voor moederdag.’ ‘Waar ga je dan heen?’ Marlies wees in de verte naar een snoepwinkel. Ik werd nieuwsgierig. ‘Dan loop ik even mee.’
In de snoepwinkel begon Marlies eerst haar geld te tellen. Dat kon ze goed. Ze had drie Euro en nog wat. ‘Eens kijken’, zei Margriet. Ze pakte een reep Mars. ‘Houdt mamma van Mars?’ ‘Hmhmm!’ Toen pakte ze twee pakjes kauwgum. ‘Vindt mamma kauwgum lekker?’ ‘Hmhmm.’ Marlies pakte een doosje kinderchocolade. ‘Houdt mamma van kinderchocolade?’ ‘Hmhmm’.
Vanmorgen was Marlies al heel vroeg wakker. Ze had de mars en de kauwgum en de kinderchocolade heel mooi ingepakt met blauw cadeaupapier. Ze deed haar ochtendjas aan haalde haar barbiepop ergens onder de lakens vandaan. Ze hield de pop voor haar neus en liet de pop met een hoog piepstemmetje zeggen: ‘Proficiat met moederdag. Ik vind jouw de liefste moeder van de hele wereld. Hier krijg je een kusje’ Marlies duwde het gezicht van Barbie op haar eigen wang en maakte een smakkend geluid. ‘Wat lief van je, kindje’, zei ze met haar gewone stem. Toen piepte Barbie weer: ‘Ik heb een cadeautje voor je gekocht.’ ‘Oh wat lief’, riep Marlies, ‘dat had je niet moeten doen.’ Ze griste het blauwe papier eraf en begon te snoepen.
Toen ze klaar was deed ze haar pantoffels aan, rende de tuin in en plukte een paar pinksterbloemen uit het gras en liep de slaapkamer van haar mamma binnen, want ja, grote-mensen-moeders houden niet van kinderchocolade. En Marlies moest oefenen voor de toekomst.