De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

TIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

GEDOGEN OF MEDEDOGEN

VLUCHTELINGETJE IN DE BOOM
De eerste-communicantjes hadden het verhaal van Zacheüs gespeeld. Jezus had de kleine tollenaar uit de boom gehaald om met hem te lunchen. Ik heb maar kort gepreekt. Ik vertelde de kinderen dat ik die nacht een plannetje had gemaakt. Ik zou een vluchtelingenkindje vragen om in de boom voor de kerk te klimmen. Als de stoet dan met de harmonie aankwam zou ik zeggen: ‘Wachten jullie even; ik ga eerst met dat donkere kindje ontbijten. Daar zouden jullie dan zitten met je sjieke kleren en je goed fatsoen. Juffrouw zenuwachtig. Organist 23 keer het openingslied spelen en de ouders foeteren: Wat een onbeleefde pastoor, we komen hier nooit meer! Voortaan gaan we naar Voerendaal!’ Toen vroeg ik aan de kinderen: ‘Weten jullie waarom ik dit niet gedaan heb?’ Ze wisten het niet. ‘Omdat ik ‘t niet durf!’. Ik zag hun ongeloof. ‘Maak ons niks wijs, je bent een groot mens, je durft toch alles.’ Nee, ik ben niet zo dapper als Jezus, maar hij is wel mijn grote voorbeeld.

GEDOGEN EN MEDEDOGEN
Bij de afgelopen verkiezingen speelde een gevoel van onbehagen een grillige rol, onbehagen over allerlei gedoogbeleid; verlangen naar tolerantie-nul.
Gedogen is een goddelijk woord. Het roept het beeld op van een koning die genadig is voor de verslagen vijand. Jezus treedt op met mededogen. Hij ziet geen zondaars tegenover uitverkorenen, geen vreemdelingen tegenover landgenoten. Hij ziet slechts kinderen van God.
Soms is ons gedogen echter geen vorm van respect maar van onverschilligheid. Gedogen kan ook betekenen dat de zwerver ons niet meer interesseert; dat we geen verantwoordelijkheid willen nemen voor geestelijk gestoorden of vluchtelingen. Zulk gedogen is medogen-loos!
Het irriteert de Farizeeën dat Jezus de scrupuleus getrokken grenzen tussen rein en onrein aan zijn laars lapt; dat hij een tollenaar uitnodigt en met een verrader aan tafel zit. Jezus’ houding lijkt op een kerkelijk gedoogbeleid. ‘Neem het maar niet zo nauw met de wet!’
Vergissen we ons niet. Jezus neemt het zeer nauw. Hij gedoogt niet in de zin van ‘laat maar waaien, we zien wel waar het schip strandt’. Nee, Jezus vindt dat het geboden is om de heiligheid van elk mens te eren.

RABBI BAER
Martin Buber was een beroemde joodse filosoof. Eeuwenoude joodse wijsheden uit Oost-Europa heeft hij verzameld. Ik las bij hem over Rabbi Baer. Deze ontmoet zijn leermeester en vraagt: ‘Meester, wat is de juiste weg om God te dienen?’ De wijze antwoordt: ‘Dat kan ik u niet zeggen. Er is een weg naar God door studie. Er is er ook een van gebed. Er is een weg van vasten en een van lekker eten. Iedereen moet ontdekken welke weg zijn hart hem ingeeft.’
Tollenaars en melaatsen moeten niet worden geduld, maar dat ze moeten worden gerespecteerd omdat zij hun eigen weg naar God gaan.

RABBI BUNAM
Buber vertelt over Rabbi Bunam. De rabbi was oud en ging gebukt onder de kwalen van de ouderdom. Het meest leed hij onder zijn blindheid. Eens zei de Rabbi: ‘Toch zou ik niet met Abraham willen ruilen. Wat zou de Eeuwige er aan hebben als Abraham aan de blinde Bunam gelijk zou worden en de Bunam aan Abraham?’

HELAAS GEEN PINDAKAAS
Een jongen had aangebeld. Hij zag er verwaarloosd uit. ‘Of hij mij dringend kon spreken?’ ‘Zit je in geld-nood?’ vroeg ik. Hij knikte. Ik legde hem uit dat hij geen geld maar wel eten kon krijgen. Moest-ie over een half uur terug komen. Hij knikte teleurgesteld en liep weg. Ik verwachtte hem niet terug maar liep toch snel naar de winkel voor wat brood, fruit en melk. Een half uur later was hij er weer. Ik gaf hem de plastic zak. Hij hield de handvaten wijd uiteen en bestudeerde zorgvuldig de inhoud. Toen keek hij me ineens aan en vroeg: ‘Hebt u ook pindakaas?’ Helaas, geen pindakaas. Zijn vraag vertederde mij. Ik zag ineens geen ruige bedreigende gestalte, maar een kwetsbaar kind. We willen graag helpen, maar er is zoveel wantrouwen. Er zijn ook bedriegers. Er zijn overvallen. Er zijn ook criminele tollenaars en vluchtelingen. Er is lef nodig om te doen wat Jezus bij het tolhuis deed: binnenstappen en aan tafel gaan. Er is veel moed nodig om de ander in zijn eigenheid te heiligen. En ook: er is durf nodig om jezelf te erkennen als een eerbiedwekkend schepsel.

RABBI SUSJA
Buber weer: Rabbi Susja had de wijsheid bereikt van het sterfbed. Hij zei tot de leerlingen: In het komende rijk zal er niet aan mij worden gevraagd: ‘Waarom ben je niet geweest zoals Mozes?’ Mij zal worden gevraagd: ‘Ben genoeg rabbi Susja geweest?’
Jezus houdt maaltijd met de verschoppelingen. Dat is niet gedogen, dat is zijn visie op Schepper en schepping.

HET PARTIJTJE VAN LOES
Lieve kinderen. Loes zat te knutselen. Ze maakte uitnodigingen voor haar partijtje. Mamma had gezegd: ‘Maak een mooie bloem op het kaartje. Dat kun je zo goed, met plaksel en crêpe-papier.’ Maar Loes had een ander idee. Ze tekende op de kaartjes een stapel grote cadeautjes in kleurige verpakking. ‘Komt Lonneke ook’, riep mamma vanuit de keuken. Loes trok een lang gezicht. Lonneke woonde een paar huizen verder. Niemand wilde graag met haar spelen. Ze was een beetje kinderachtig en kleinzerig. Het liep altijd uit op huilen. ‘Als Lonneke komt dan komt Paula niet’ riep Loes en ze begon aan een nieuw kaartje. Mamma riep weer uit de keuken: ‘Als jij Lonneke was zou je het ook niet leuk vinden als je nooit werd gevraagd.’ ‘Als ik Lonneke was zou ik niet zo kinderachtig doen.’ ‘Hoe moet Lonneke dat nou leren als ze nooit mag komen?’ Moeders winnen altijd. Met grote tegenzin schreef Loes dus ook een kaartje aan Lonneke.
Het werd een fijne verjaardag. Lonneke had mooie haar-speldjes meegebracht in kleurig papier. Paula was er, even druk als altijd. Toen ze wilde gaan dansen had Lonneke zich aan de kast gestoten. Ze was pruilend naar huis gegaan, maar ze had wel netjes bedankt voor de fijne middag. ‘s Avonds in bed had mamma Loes nog een kruisje gegeven. ‘Dank je wel, God, voor deze fijne verjaardag en dat Lonneke er even bij was.’