De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

TWAALFDE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

FLUITEN IN HET DONKER

HONDEN, SPINNEN EN VLIEGTUIGEN
‘Je hoeft niet bang te zijn!’, Jezus zei het in het evangelie. Ik heb het vaak gehoord. ‘Je hoeft niet bang te zijn!’ De woorden kalmeren me niet. Integendeel. Ze brengen me in staat van alarm. Ik zie de paniek in de kindergezichtjes in het journaal, wanneer ze een inenting krijgen. ‘Niet bang zijn’, ik heb het vaak gehoord, juist als er alle reden was om bang te zijn.
‘Je hoeft niet bang te zijn voor de hond!’ riep de boerin als we eieren kwamen halen. We droegen korte broeken. De hond kwam aanstormen, snuffelen en grommen. ‘Hij doet niets!’ We verzwegen dat we onderweg naar school de hond vaak plaagden door met een stok langs de spijlen van het hek te rammelen. ‘Je hoeft niet bang te zijn’ zei de tandarts. ‘Doe de mond maar open.’
Nerveus ging ik naast een meneer zitten in het vliegtuig naar Israël. De man zag aan me dat ik voor het eerst vloog. Gedienstig bood hij aan: ‘Wilt u aan het raampje zitten?’ ‘In godsnaam niet!’ riep ik. ‘U hoeft niet bang te zijn. Ik vlieg zo vaak. Gebeurt nooit iets. Ik ben onderweg naar Genève.’ Ik wilde het niet weten. Genève! Dat betekende een tussenlanding. Vooral stijgen en dalen vind ik akelig. De man legde uit: ‘Ik vier met mijn vrouw ons 25 jarig huwelijk.’ Ik keek om me heen. Waar was zijn vrouw? De man zag wat ik deed. ‘O, mijn vrouw neemt het volgende vliegtuig. We reizen nooit in het zelfde toestel. We hebben drie kinderen, begrijpt u, als er iets gebeurt.’ Wat een angst!
In de schouwburg ging ik op een hoekplaats zitten. Iedere volgende bezoeker moest langs me heen schravelen. Ik verontschuldigde mij tegenover mijn buurman.: ‘Ik heb een beetje engte vrees.’ ‘Begrijp ik’, zei de man. ‘Ik heb vroeger ondergronds in de mijn eens 19 uur vastgezeten...’ Hij begon een verhaal waar het zweet me van uitbrak.

ANGST NIET WEG TE REDENEREN
Vandaag zegt Jezus het. ‘Niets is verhuld of het zal worden onthuld.’ ‘Vrees niet wie uw lichaam kan schaden, maar wel wie uw ziel bederft.’ En na al die angstaanjagende berichten dat woord: ‘Wees niet bang!’
Het probleem is dat je met je angsten niet kunt redeneren. Natuurlijk komen er meer mensen in auto’s om dan in een vliegtuig. Natuurlijk doet nìet-naar-de-tandarts-gaan meer pijn dan wel-naar-de-tandarts-gaan. Natuurlijk zijn spinnen nuttige dieren en muizen erg grappig. Natuurlijk komt er voor ieder van ons een einde aan de tijd. Maar die wetenschap neemt de angst niet weg.

LIJNTJE MET DE EEUWIGE
‘Wees niet bang’, zegt Jezus. Hij meent te weten wanneer een mens zijn angst kwijt raakt.
Ik zat nog wat krampachtig in de machine naast de eenzame man op huwelijksreis. Aan de overkant van het gangpad probeerde een moeder haar vijfjarig kind te amuseren tijdens het opstijgen. De motoren begonnen te bullen. Het kind ook. Ik herkende zijn angst. Ik haalde uit mijn handbagage een rolletje pepermunt, tikte het kind op de schouder en liet het hem zien. We begonnen het snoep eruit te pellen. Op dat moment was de angst verdwenen. Bij het kind en bij mij. Even ging ik niet op in mijn verleden maar in de ander. Dat is, volgens Jezus, het lijntje met Gods liefde.
Ik weet nog hoe ik de hete adem van Igor, de waakhond - bloedhond zeiden wij - tegen mijn blote benen voelbaar was. Ik was bang, maar er gebeurde niets dan een herhaald hijgen en snuffelen. Dat gaf me moed. ‘Braaf’, sprak ik mijn vader na en stak voorzichtig mijn hand uit. Ik aaide over de kop. De hond vond het leuk. Ik vond het leuk. We genoten van elkaar. De angst was verdwenen. Mijn ik ging verloren in de ander. Een lijntje naar Gods liefde die een zwerm vogels patronen laat trekken door de lucht, ook waar geen mens toekijkt; de God wiens liefde ik kan voelen op elk moment dat ik me verlies in de schepping.
Jesaja hoort de scheldwoorden van de buren, maar hij loopt neuriënd door de straat. Zijn keuze voor wat waar en recht is verbindt hem met de Eeuwige.
De diepste angst in het hart van de mens is onbemind te zijn. Daarom fluit hij in het donker een liedje van verlangen, soms hoopvol, soms bezwerend, soms twijfelend en soms vol overtuiging: ‘er is een God die mij liefheeft.

BANGE BRENDE EN STOER BJORN
Lieve kinderen. Op de kermis stond een hele hoge toren met duizend gekleurde lichtjes en twee enorme elastieken. Daaraan hing een klein huisje en daar kon je in. Dan werd je omhoog getakeld en even later hing je te bungelen en te zwaaien door de lucht. Martin keek er met eerbied naar. Terwijl Martin stond te dromen was Bjorn naast hem komen staan. Bjorn was een jaar ouder en een kop groter. ‘Zo, kleintje?’, zei Bjorn. ‘Durf je daarin?’ Martin zei bijna automatisch ‘Best wel.’ Hij haalde de schouders op om te laten zien dat het hem niks uitmaakte. ‘Ga je mee?’ vroeg Bjorn. Daar had Martin niet op gerekend. ‘Nee, uh, ik vind het veel te duur. Zoveel Euro heb ik niet.’ ‘Dan trakteer ik!’, riep Bjorn. Martin dacht gauw na. Misschien blufte Bjorn. Misschien durfde hij zelf ook niet. ‘Nou, weet je, ik heb buikpijn vandaag. Ik heb al twee keer overgegeven. Dat moet me boven in de lucht niet gebeuren.’ Bjorn liep verder: ‘Je durft niet!’ Dat was geen succes.
Martin zag Brenda staan. Brenda was zijn jonger zusje. ‘Mooi hè?’ zei hij tegen haar. ‘Zou ik dat durven?’ vroeg Brenda een beetje onzeker aan Martin. ‘Och’, zei Martin, dat elastiek is heel erg dik. Dat is een super-elastiek. Daar hebben ze wel duizend keer met honderd kilo aan getrokken.’ ‘Maar het gaat zo hard!’ Martin sloeg een arm om Brenda’s schouder. ‘Zullen we samen gaan?’ Martin schrok van zijn eigen woorden. Waarom durfde hij met bange Brenda wel en met stoere Bjorn niet? Misschien werd hij dapper van de kleine Brenda die zo tegen hem opkeek. Tot zijn opluchting zei Brenda: ‘Een andere keer graag. Doei!