De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

DERTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

BEMOEDEREN EN BEVADEREN

ACHTERDOCHTIGE LEZER
Elisa was een grote profeet. Op zekere dag nodigt een rijke vrouw hem uit aan haar tafel. Ze dringt aan. Wat wil die vrouw? Zoekt ze aanzien? Wil ze haar netwerkje uitbreiden met een wonderdoener? Was ze verliefd op Elisa? Was haar huwelijk in het slop geraakt? Of is het gewoon Oosterse gastvrijheid?
Nadat Elisa haar gast was geweest, kon hij nooit meer Sunem bezoeken zonder even bij haar langs te lopen. Maar het wordt nog gekker. De vrouw laat boven op haar huis een logeerkamer metselen. Nu kan ze Elisa ook een bed aanbieden. Ze meubileert de kamer met tafel, stoel en lamp. Het wantrouwen van de moderne lezer groeit. Waarom neemt ze de profeet bij zich in huis? Wat kletsen de buren? Wat voelt haar man?
Het verhaal confronteert ons met onze eigen achterdocht. We kunnen ons niet voorstellen dat iemand zomaar gastvrij is, zonder bijbedoelingen.
‘Moet u hier lang zijn?’ Een jonge vrouw had het autoraampje opengedraaid op de parkeerplaats. ‘Waar bemoeit ze zich mee? Wat wil ze?’ Ze bleek niets te willen. Ze had nog drie kwartier op haar kaartje staan en wilde die schenken. Is onze tijd zo commercieel geworden dat we maar moeilijk kunnen geloven in een eenvoudige gebaar van liefde?

MOEDER WILLEN ZIJN
En dan ineens onthult het verhaal toch nog een verborgen drijfveer. De rijke vrouw is kinderloos, maar het verlangen om te bemoederen is groot. Haar verlangen naar een zoon maakt van haar een moeder voor Elisa.
Mensen worden geboren als vaders en moeders. Ze hebben een instinctieve behoefte om te waken en te zorgen. Het schenkt ons geluk als we anderen mogen helpen groeien, als we een kind mogen begeleiden of een zieke, een ouder of een partner. Dat geeft zin aan het bestaan.
Achter me in de winkel stond een man die drie gestapelde dozen torste. ‘Wilt u ze neerzetten?’ ‘Nee hoor, ze zijn niet zwaar.’ Het waren dozen met zakjes chips. ‘Die zijn voor mijn kinderen; allemaal dezelfde smaak, dan krijgen ze geen ruzie. Ik heb 25 kinderen’, voegde hij er lachend aan toe. De caissière onderbrak en vroeg of ik een pasje had. Later dacht ik ‘25 kinderen?’ Zou hij misschien een jarige onderwijzer zijn of een leider in het dagverblijf? Wat mooi dat hij zich een beetje vader kon voelen in zijn beroep.

VADERS EN MOEDERS GEZOCHT
In de eeuwen achter ons waren de gezinnen groot. Dat moest tot ongeveer 1800 ook wel, want de kindersterfte was hoog en epidemieën dunden de bevolking geregeld uit. De boerderij kon je niet elke generatie in stukken verdelen. Daarom trouwden er maar enkele kinderen. De rest bleef ongehuwd. Op de gehuwde rusten de plicht om een groot nageslacht te verwekken. De ongehuwden zochten een zinvolle levensinvulling. Velen vonden die in een klooster. Daar hebben zij hun vaderlijke en moederlijke gevoelens ingezet voor de naasten. Ze gaven onderwijs, verzorgden zieken, of boden wezen en daklozen gastvrijheid.
Als Elisa ontdekt heeft hoe het in elkaar steekt, dan belooft hij de rijke dame een echt kind. Ze kan het bijna niet geloven.
Onze tijd is verzakelijkt. Een pastoor zegt niet meer: ‘Mijn zoon en mijn dochter’ tegen een volwassen stel. Het hoofd van een gemeente noemt zich geen burgervader meer. Menig moderne specialist vermijdt het vaderlijk of moederlijk over te komen; eerder is hij afstandelijk; zo van: het is uw ziekte, verwacht van mij deskundigheid maar zoek compassie elders. Een maatschappelijk werkster maakte bij het eerste contact haar cliënt duidelijk: ‘ik kan u helpen, maar ik ben niet uw vriendin.’
Onze tijd is verzakelijkt. Iedereen is verantwoordelijk voor zichzelf. Als een rare stof in de hersenen -of ‘n gebrek eraan- hem droefgeestig maakt of zwerver, dan zeggen we: dat is dan zijn probleem. Massaliteit, anonimiteit en winstbejag scheppen een mentaliteit waarin mensen hun vaderlijke en moederlijke gevoelens onderdrukken.
Het is goed om dan te lezen over die Sumanitische die zich opdringt om Elisa te bemoederen. Het is goed dat veel vrijwilligers in klinieken, zorghuizen en parochies anderen bemoederen. Het is goed als steeds meer mensen, ook in hun beroep, een beetje vader durven zijn.

DE MOEDERS VAN JEROEN
Lieve kinderen, Jeroen was het spuugzat. Jeroen was een jaar of zeven, acht. Dat was het probleem niet. Het probleem was dat Jeroen teveel moeders had. Daar was op de eerste plaats Annemiek. Dat was de grote moeder. Die was wel lief, maar het was de hele dag: ‘Heb je je handen gewassen? Geen water drinken nu dan krijg je buikpijn. Welk handje geef je dan? Knoop je jas dicht want je wordt verkouden. Doe nou toch die deur achter je dicht. Eerst je bord leeg eten anders word je geen grote jongen...’ Dan was er Sonja. Sonja was zijn grote zus. ‘Kom, geef me hand bij het oversteken. Niet in die plas lopen. Moet je niet eerst naar de wc? Zit je alweer achter die Playstation, je krijgt nog eens vierkante ogen. Heb je je huiswerk af?’
Jeroen was het spuugzat en hij was op weg naar opa. Hij trapte lekker in een plas water en liep met één voet in de goot en met de andere op de stoep. Opa zou met hem onder de prikkeldraad kruipen en kruipen door de wei. Ze zouden sprinkhanen vangen. En dan zouden ze straks al die lieve moedertjes eens laten schrikken met die beesten. Aan het eind van de middag hadden ze twee sprinkhanen gevangen. ‘Je mag ze allebei hebben, je hebt ze harder nodig’, zei opa. ‘Maar weet je’, zei Jeroen ernstig. ‘We moeten eerst grassprietjes in het potje doen en gaatjes in de deksel anders gaan ze dood.’ Dat deden ze, want opa en Jeroen waren op hun manier ook moedertjes.