De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

VIJFTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

DE WEG VAN HET WOORD

GEBREKKIG WERELDBEELD
Middeleeuwers verbaasden zich over het licht dat elke ochtend door de grote ramen van de kathedraal viel zonder dat het glas kapot ging. ‘s Avonds keerde het licht terug en ook dan sneuvelde er geen ruit. De inval van het licht leek wel een maagdelijke geboorte en menig kerk werd daaraan toegewijd. Het is boeiend om teksten te lezen van geleerden uit het verleden, mensen bij die ons overtreffen in wijsheid en intelligentie, maar die tegelijk ontroerend naïeve ideeën hebben, eenvoudig door de stand van de wetenschap in hun dagen.
De dertiende eeuwse mysticus Meister Eckhart kijkt om zich heen en schrijft: ‘De natuur van elk korreltje heeft tot doel om tarwe te worden. Zo ligt het in de natuur van elk metaal om goud te worden. Zo heeft al het baren in de natuur de mens ten doel: men vindt geen dier of het lijkt wel ergens op een mens!’
In een andere preek wijst hij op dingen die de zwaartekracht opheffen. Hij bedoelt magneten maar noemt ze hemelstenen.
Zulke opmerkingen zijn ontroerend net als uitspraken van kinderen, die heel intelligent kunnen zijn, maar uitgaan van een heel eigen concept. Zoals een zesjarig meisje zei: ‘God is helemaal niet in de hemel. God is in de grond. Daar groeit toch alles, bomen en bloemen!’

KRINGLOOP VAN HET WATER
De eerste lezing uit Jesaja is ouder dan 2,5 duizend jaar. Men dacht dat de aarde plat was met hoog daarboven voorraadkamers vol regenwater. Onder de aarde was ook water zodat de zon ‘s nachts, om niet uitgeblust te worden, verscholen achter de noordelijke horizon naar het oosten moest terugkruipen.
In die tijd laat Jesaja God aan het woord en schrijft: ‘Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en pas daarheen terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, bevrucht en beplant, zaad gegeven aan de zaaier en brood aan de eter, zo zal het gaan met het woord uit mijn mond.’
Waar haalt de mens in de oudheid het inzicht vandaan dat de regen die uit de hemel is gevallen daarheen terugkeert? Hadden ze waargenomen dat tropische bossen dampen na een regenbui; dat wolken omhoog trekken uit de zee? Jesaja beschrijft in elk geval de kringloop van het water. Voordat het terugkeert naar de hemel heeft het op aarde van alles teweeg gebracht. Het sijpelt naar beken die stromen worden en uitmonden in rivieren. De rivieren geven land en mens en vee water om te leven; zaad om te zaaien en kiemen om te eten. Tenslotte mondt de stroom uit in de zee waar het zijn weg terug omhoog vindt naar de hemel. Er ontstaan wolken waarnaar de aarde smacht, terwijl de weerman avond aan avond moppert en klaagt.

GODS WOORD BLIJFT VERONTRUSTEN
Zo gaat het met mijn woord, zegt de Heer. Het woord van God maakt vreemde omwegen. Maar het zal pas terugkeren naar de hemel als het onze harten heeft geraakt en onze zinnen heeft verzet.
Dit is Gods woord: ‘Ik ben je Schepper. Jullie zijn broers en zussen, van welke taal je ook bent, welk geloof of ongeloof je ook aanhangt. Ik breng je terug waar je hoort, ik breng je thuis.’ Dat woord valt op de aarde. Mensen zoeken vrede, ze sluiten verbonden, ze willen elkaar helpen tegen onrecht, ze organiseren bontgenootschappen en er komen nieuwe frontlijnen, coalities en vijanden. Een kind roept: maar die vijand was toch ook een kind van God! Er ontstaat verwarring, studie, propaganda., een vredeslied. Het woord neemt een lange weg. Een weg van eeuwen, van misvormingen, van hervormingen, van eerherstel. Het woord raakt kinderen, doet dromen, huilen, lachen en zingen; dicteert politieke traktaten en knaagt aan het geweten. Maar het zal pas terugkeren naar de hemel als het zijn werk heeft gedaan. Tot zolang moge het ons onrustig maken.

WINNEN EN LATEN WINNEN
Lieve kinderen. Karel zat te schaken met zijn vader. Plotseling zag hij iets. Zijn hart begon te bonzen. Klopte het wat hij zag? Warempel, hij kon de koningin van zijn vader slaan. ‘Gevangen nemen’ noemde Karel dat. Even goed kijken. Jawel. Daarna was het een makkie om te winnen. Zou pappa met opzet zijn koningin hebben laten staan? Karel wist het niet en hij wilde het niet weten. Hij had gewonnen!
De volgende ochtend op de speelplaats stond Karel in het doel. Als iemand de bal afvuurde dook hij erop en klemde hem vast. ‘Mag ik ook?’ vroeg Marieke uit groep drie. De jongens begonnen te lachen. ‘Toe maar, knal hem erin!’ Marieke nam dribbelend een aanloopje en de bal rolde als een knikker richting doel en toen sprong Karel... náást de bal. Eèn nul voor Marieke. Zij kreeg er bijna vleugeltjes van. Ze keek verlegen lachend naar de grote jongens en ging naar huis. Bij de voordeur hoorde ze haar hondje Kees al blaffen. Kees was blij met Marieke. Ze zouden gaan wandelen, wist hij. ‘Kom zei Marieke, we gaan wedstrijd rennen. Wie het hardste kan. Marieke spurtte weg en normaal zou ze de wedstrijd winnen, want Kees had geleerd achter Marieke aan te hollen. Maar plotseling stond ze stil. Kees schoot door en Marieke juichte: ‘Goed zo, Kees, je hebt gewonnen’ en ze knuffelde haar hondje.
Zie je wel, een lieve daad gaat altijd verder. De vader geeft hem door aan Karel, Karel aan Marieke, Marieke aan Kees. De liefde komt van God en mensen geven hem door en de liefde keert pas terug naar God als het hier klaar is met zijn werk.