De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

ZEVENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002

© Ad Blijlevens, Heerlen 2002

DAT LICHT VAN MIJ...

ONZE WIJNGAARD
Dit evangelie van vandaag, wij zijn het zelf. De wijngaard kunnen wij beschouwen als alles wat ons is gegeven, ons stukje land om op te wonen en bezig te zijn, om te behoeden. Het is ons leven, uitgezonderd, omheind, bemind. Alles wat ons toevertrouwd is: ons lichaam, onze geest, onze woning, ons werk, onze geliefden, de plaats waar wij wonen, de kerk die wij zijn. Wij zijn het zelf; en aan ons is door de Heer van ons leven veel toevertrouwd.

EN TOCH MAAR PACHTERS
Maar wij hebben dat alles in pacht, wij zijn pachters, dienaars, dienaressen. Ons leven is uiteindelijk niet van ons, wij hebben het in beheer. Wat kan het toch moeilijk zijn om zo naar ons leven te kijken. Het lijkt wel bijna vanzelf te gaan dat wij ons heer en meester wanen. Wij zijn er ook zo mee verweven, wij zijn het zelf. Het is een hele ontdekking, uiteindelijk geen eigenaar te zijn van je leven, maar pachter, dienaar, dienares. Maar het is wel heilzaam dit te beseffen, al is het maar voor één minuut: je leven ontvangen als een geschenk.
Nu kunnen wij ons natuurlijk afvragen: waarom zou dat moeten? Het is toch een fijn gevoel, als je je leven onder controle hebt, als je over je leven baas bent! Bij ziekte of andere tegenslag echter kan het met een schok tot ons doordringen dat wij ons leven uiteindelijk niet in handen hebben. De dichter Hans Andreus, die op jonge leeftijd zou sterven aan kanker, bad in een van zijn laatste gedichten: 'Hoe moet het nu, / waar blijf ik met dat licht van mij, van jou wanneer het vallen, weg in het onverhoeds onnoemlijk begint?

HET LEVEN ALS GESCHENK, IS ER RUIMTE VOOR GENIETEN
Zusters en broeders. Dat licht van mij, van joú! Ons leven kan ons ontglippen, hoezeer wij ook dachten het in de hand te hebben, hoeveel taken wij onszelf nog hadden toebedacht, hoeveel uitgestelde plannen er ook liggen.
Mensen die wijs zijn geworden en die de kostbaarheid van het leven voelen, zeggen ons: 'Ik probeer te genieten van elke dag die me wordt gegeven. En jij moet ook van het leven genieten. Je weet niet hoe lang je nog leeft'. Dat is opmerkelijk.
Wanneer het leven kan worden ontvangen als geschenk, komt er ruimte voor genieten.
In zijn dagboek tussen mei en september' deed Toon Hermans verslag van een periode van zware overspannenheid, die hem terugwierp op zichzelf en op de keuzes die hij tot dan toe had gemaakt. Hij schrijft: 'Wat moet ik veel inhalen. Kijken, ruiken, luisteren, voelen. Ik ben zo lang in de weer geweest in mijn leven, heb zo'n haast gehad. Ik heb hele lentes overgeslagen. Amper gemerkt dat hun bloei begon. Toen de bladeren al langs de weg lagen, was het me niet eens opgevallen dat ze ooit gebloeid hadden. Ik ben er als een gek aan voorbij gerend, in mijn razendsnelle open auto, op weg naar niets. Zoveel herfsten niet opgemerkt. Zomers en winters met al hun tovenarij overgeslagen. Geruild - voor wat eigenlijk? In de race voor suikerspinmedailles'. Tot zover Toon Hermans.
Zusters en broeders, bidden wij dat de wijngaard van ons leven vrucht mag dragen.