De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

MILD STEMMENDE HERINNERING

DORPS TRADITIES
Wij hadden thuis een meisje-voor-halve-dagen, zoals dat heette. Haar vriend deed iets in de bouw. Het meisje nam mijn moeder in vertrouwen. Ze had een probleem. Binnenkort was ze twaalfeneenhalf jaar verloofd en dan zou de jonkheid van haar dorp ketelmuziek komen maken bij haar voordeur, totdat ze een krat bier zou schenken. Ze besloot maar te trouwen. Dat kostte haar overigens twéé kratten.
Ouderen kunnen mooie verhalen vertellen over dorpse toestanden van vroeger. Het ruigst zijn de verhalen over jongens die een liefje gingen zoeken in naburige dorpen. Die konden op een warm onthaal rekenen. Daar konden messen aan te pas komen.

'IKKE EERST!'
Er is een oorspronkelijk gevoel dat nieuwkomers minder rechten hebben dan degenen die er eerder waren. Observeer kleine kinderen maar eens. Mar het geldt ook voor Hollanders in Limburg, voor Duitsers hier en Nederlanders in België. Ze worden als een bedreiging aangevoeld. De nieuwkomer in de klas, de laatst benoemde collega, een nieuwe lichting studenten: ze hebben minder rechten. Dat geldt zelfs al in een treincoupe! De reizigers die er al vanaf Utrecht zitten, hebben het gevoel dat ze meer rechten hebben dan wie in Den Bosch instappen. De nieuwelingen komen wat verontschuldigend binnen, vragen beleefd of de tas niet van de zitplaats kan worden verwijderd en bedanken uitvoerig als dat verzoek wordt ingewilligd.
Denk ook aan vaste kerkgangers die hun plaats bezet vinden door een ongeregelde gelovige; aan nieuwkomers in de straat of vakantiegangers die zich op een camping installeren. Ze moeten hun terrein langzaam veroveren.

VREEMDELING IN ISRAEL
Dat was ook zo in het oude Israël. Vreemdelingen hadden minder rechten. Het was bijvoorbeeld een joodse man streng verboden omgang te hebben met een gehuwde joodse vrouw. Wat hij met buitenlandse vrouwen deed was nooit een probleem. Vreemdelingen hadden minder rechten. Ze werden uitgeguit want je kon rente van ze eisen.
Vóór de Babylonische Ballingschap was er in Israël nog geen geld-economie maar enkel ruilhandel. Maar ook dan kun je rente vragen. Als een joods gezin armoede leed en aan jou een kommetje melk vroeg, dan moest je dat zonder rente geven. Maar als de koning voor zijn leger 15 schapen leende mocht je er zestien terugvragen. Rente mocht, maar als een arme iets nodig had, dan was rente ongepast. De armoede van een ander mag je niet gebruiken om rijker te worden. Wat een barmhartige economie! Maar toch: bij een vreemdeling luisterde dit minder nauw.

HERINNERING MAAKT BARMHARTIG
Ik denk dat in het oude Israël menig vreemdeling is misbruikt. Precies daarom dringen de profeten er zo op aan dat men hem menswaardig moet behandelen. Een gemeenschap die enkel haar eigen belangen dient is bijna dierlijk van moraal. Mensen zijn geroepen om een groter belang te dienen. Mensen zijn geroepen om iets van het Totaal, iets van God op het oog te hebben. Daarom formuleert de wet: ‘herinner je, dat je zelf vluchteling bent geweest in Egypte. Die herinnering moge je doen beseffen dat God de vreemdelingen liefheeft. Laat ons dit te denken geven!
De wet maant zijn burgers tot herinnering. Herinner je dat je zelf op de brugklas zat. Herinner je dat je nog jongste bediende was en met een minimum loon moest rondkomen. Herinner je dat je je eerste kind kreeg. Het zal je mededogend maken.
Herinner je hoe je ouders vervolgd zijn gedurende de tweede wereldoorlog; herinner je hoe je oom moest vluchten en onderduiken; herinner je de honger van die winter, hoe het is om ondervoed te zijn en je kinderen niet het nodige te kunnen bieden. Die herinnering zal je mededogend stemmen.

MEISJE-VOOR-HALVE-DAGEN
Of zoals dat meisje voor-halve-dagen zei: ‘Mevrouw, waarom doet u zo uit de hoogte, u bent vroeger toch ook meisje-voor-halve-dagen geweest.’ Mevrouw haalde haar neus op en zei: ‘Dat was wel in een heel wat sjieker huis dan waar jij werkt.’ Daarop was het even stil en voor het eerst schoten beiden in de lach.

HET RAPPORT VAN JAAP
Lieve kinderen. Jaap kwam thuis. Hij had verschrikkelijk getreuzeld. Met een stok had hij zogenaamd een grote streep getrokken over de stoep van school naar huis. Toen hij eindelijk arriveerde zei moeder: ‘Laat me je rapport eens zien.’ Jaap barstte in snikken uit.
Geschrokken ging moeder zitten, trok Jaap op schoot en streelde door zijn haren. ‘Dalijk wordt pappa boos’, stootte Jaap er uit. ‘Is het zó erg? Laat eens kijken.’ Traag peuterde Jaap zijn wat verkreukeld rapport tevoorschijn. Moeder maakte het open. Ze zag overal ‘voldoende’ en ‘ruim voldoende’. Toen zag ze onderaan die venijnige opmerking: ‘Jaap moet beter opletten en minder brutaal zijn.’ Moeder zei niets. De juffrouw had genoeg gezegd, vond ze. ‘Ik praat wel met pappa.’
Die avonds gaf mamma de enveloppe van school aan vader. Vader maakte hem open en haalde er twee rapporten uit. Wat is dat? Jaap had toch maar één rapport. Het andere was kleiner. Pappa las beide documenten en begon te lachen. Mamma had een oud rapport van pappa in de enveloppe gedaan. Ze had het altijd op zolder bewaard. Op het oude rapport stond in sierlijk handschrift: ‘Jan is niet op zijn mondje gevallen!’. Pappa stond op, knipoogde naar Jaap en zei: ‘Het is tijd voor een goed gesprek tussen vader en zoon.’ Het was maar fijn dat pappa zich zijn eigen schooltijd weer kon herinneren.