De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

EENENDERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR 2002
© Harrie Brouwers, Voerendaal 2002

KLEINE HEILIGE

GODS PROBLEEM
‘Jezus, zie mij nederig voor u neergeknield. Ik ben slechts een ellendige zondaar’. Zo las ik in een missaaltje uit 1905. hans, krijgt God andere gebeden te horen. Iets in de trant van: ‘Hoi, God. Als U mij niet ziet zitten, is dat Uw probleem...!’

NEDERIGHEID
Bescheidenheid was vroeger een deugd. Het was een teken van heiligheid als je een lage dunk van jezelf had. Een nonnetje op het seminarie liep zo angstig gebogen door de gangen dat ze de bijnaam ‘plint-vlinder’ kreeg. Generaties hebben zichzelf weggecijferd en veel voor anderen betekend. Soms ging dat gepaard met een knagend gevoel van jaloezie en miskenning.
‘Tante Maria hoefde nooit iets voor zichzelf.’ Haar nichtjes vertelden na haar overlijden. Een lieve tante was ze geweest. Maar soms had ze nukken. Toen ze na veertig dienstjaren afscheid nam, wilde zij beslist geen feest. Zo had ze verzekerd. Ze wilde gaan zonder ophef en geschenken. Iedereen begreep dat. Het was ook niks voor Maria om op de voorgrond te staan. Haar baas liet een mooie bos bloemen bezorgen en een kratje wijn. Maar het had Maria bitter gestemd. Ze had geen goed woord meer over voor haar collega’s. In haar nachtkasje hadden de nichtjes alle bedrijfskrantjes gevonden met artikelen over koninklijke onderscheidingen voor jubilarissen. Bescheidenheid kan groteske vormen aannemen.

REACTIE
Een reactie op deze bescheidenheidscultus kon niet uitblijven. Uit de bijbel werden nieuwe passages naar voren geschoven. Niet meer: ‘Wie zich vernederd zal verheven worden’, maar ‘zet je licht boven op de standaard zodat het straalt!’ De mens is een beeld van God. De ander moet je liefhebben als jezelf, niet even weinig maar evenveel! De reclame springt er gretig op in. Je verdient die chocolade. Je hebt recht op die stoel. En je bent die huidcrème waard!

HEILIGEN
Aad de Haas mocht in het kerkje van Wahlwiller enkele heiligen aan de wand schilderen. Zijn keuze viel op de pastoor van Ars. Deze man had een mooie balans tussen het besef van zijn eigen kleinheid en de wetenschap van zijn grootheid. Deze boerenzoon uit het eind van de achttiende eeuw in zuid Frankrijk wilde priester worden. Hij zette door, ondanks verzet van zijn vader en ondanks een gebrekkige intelligentie. Hij wordt benoemd in Ars, een dorp met zestig huizen ten noorden van Lyon. Daar werkt hij wat op de lachspieren. Het halve dorp hoorde hem door de week de preek van buiten leren. Maar op zondag was hij alles vergeten. Hij raakte de tekst kwijt en riep in paniek: ‘Jullie moeten van elkaar houden. Houd van degene die naast je zit, want God woont in hem...’ en dan rende hij de preekstoel af. De mensen kwamen graag bij hem biechten. Natuurlijk. Je onmacht belijd je makkelijker bij iemand die zich niet boven je stelt. Deze heilige weet dat hij geroepen is. Die overtuiging weerstaat spot en tegenwerking. Tegelijk weet hij dat hij een zwakke kwetsbare mens is.

FARRIZEEERS
Vandaag in het evangelie wordt Jezus boos op de Farizeeën. Ze zijn veel te zelfingenomen.
In Israël droeg men als kledingstuk een soort deken. Aan de hoeken waren de scheringdraden van het weefsel samengebonden. Ze vormden handvaten voor wie in de mantel vracht wilde vervoeren. Maar de Farizeeën hoefden geen lichamelijk arbeid te verrichten en daar waren ze trots op. Ze maakten van de handvaten gouden kwasten om demonstratief hun luxe leventje te laten zien. Jezus gruwt van hun hoogmoed.
Zullen we dan toch dat gebedenboekje uit 1905 herdrukken en bidden: ‘Vernietig, God, mijn geest van eigenliefde. Verneder in mij al wat zich verheft; verteer in mij wat van mijzelf is.’?

LAFFE HELDEN
Soms voelde de gelovige zich een klein en zondig wezen. Soms ook wist hij dat hij een uniek en heilig beeld van God is. Zou Jezus er niet op uit zijn om ons te laten zien dat het allebei waar is. We moeten ons bewust zijn van onze grootheid. Ieder van ons doet heldendaden, al beseffen we het niet. Iedereen heeft momenten van onzelfzuchtigheid. Iedereen brengt indrukwekkende offers. Maar iedereen heeft ook laffe streken. Iedereen heeft momenten van stuitend egoïsme. Iedereen heeft de genade van de anderen en van God nodig.
Wat goed zou het zijn als we beide kanten onder ogen zouden zien. Dat we met opgeheven hoofd van onze heiligheid zouden genieten. En tegelijk, dat we zouden beseffen klein te zijn en aangewezen op genade.

OVER HAANTJES
Lieve kinderen. Er was eens een haantje dat altijd de baas wilde zijn. Met scherpe blik hield hij de kippen en de hele wei in de gaten. Als Klaris een eindje uit de buurt liep en een worm uit de grond trok, dan snelde hij er met ferme stappen op af, zijn kop driftig bewegend. De volgende worm was voor hem. Als Bertha weer eens op het heuveltje klom dan was de haan er als de kippen bij en duwde haar er vanaf. Het ergste was dat er kuikentjes bij waren gekomen en nog twee jonge haantjes die hij geregeld tot de orde moest pikken. Hij rende naar het hek als mensen verschenen om eieren te kopen en hij moest er als eerst bij zijn als de boer met voer aankwam. Op zekere dag kwam er een auto voorrijden. Het was een witte auto. Er stapten mannen uit in witte pakken. Het haantje rende er driftig heen. Zonder het te beseffen, liep hij zo als eerste in de handen van de slagers. Die namen het haantje mee naar de slachterij. Klaris en Bertha stonden er een beetje onzeker naar te kijken. Toen zei Klaris ineens: Dat gebeurt nou met Haantje de voorste!