2021 - 3de zondag in de 40dagentijd  © Harrie Brouwers, Voerendaal






DE ZEVENDE DAG



ZEVEN

Seneca was een beroemde filosoof in het Romeinse keizerrijk ten tijde van Jezus. Ergens moppert hij over een nieuwe mode die in opkomst was, namelijk om de zevende dag als rustdag te beschouwen. Hij vindt deze Joodse gewoonte verwerpelijk, omdat daarmee liefst een zevende deel van een mensenleven wordt weggegooid.  
In de eerste eeuw vóór en ná Christus, werd het organiseren van tijd in zeven dagen, ook in de Grieks-Romeinse wereld populair. Vóór die tijd kenden de Romeinen een week van acht dagen. Zeven dagen werd er op het land gewerkt en op de achtste dag werden de producten naar de markt gebracht. Het ritme van zeven kwam uit het land van de Chaldeeën; het gebied rond de Eufraat en de Tigris. Men had er de dagen genoemd naar de bijzondere hemellichamen die hun eigenwijze banen trokken, dwars door de sterrenconstellatie heen. Men hield deze hemellichamen voor Goden. Elke dag was toegewijd aan een van hen. De Joden namen die zeven dagen over; later deden dat ook de Egyptenaren en zo kwam de mode bij de Romeinen terecht, en toen ook bij de Germanen. Vaak werden de oude godennamen vervangen door inheemse idolen. Zo noemen wij de zaterdag met de Romeinen nog steeds naar Saturnus; de zondag en de maandag met de Babyloniërs naar de zon en de maan; en de dinsdag, donderdag en vrijdag met de Germanen naar Zisjtig, Donar en Freya. De tijdsbeleving als golfjes van zeven dagen is duizenden jaren oud. De zevende dag als rustdag evenzeer.

DAG OM SAMEN TE RUSTEN
In onze dagen zijn we die gezamenlijke rustdag aan het verliezen. De Koopzondag was er voor in de plaats aan het komen! Het feit dat wij als samenleving de zevende dag niet meer heiligen, wordt volgens mij niet zozeer door economische motieven ingegeven, alswel door ons individualisme. Ons gemeenschapsgevoel is ondergeschikt gemaakt aan ons ik. We bepalen zelf wel wanneer we kopen en verkopen en wanneer we rusten. 
In de zesde eeuw voor Christus werden Joodse intellectuelen gedeporteerd naar Babylon. Dat was de wraak van Nebukadnezar omdat Jeruzalem zich niet had onderworpen. Ze kwamen in een boeiende wereld terecht. Ze moeten erg onder de indruk zijn geweest van de wetenschap en de kunst aldaar. Maar hardnekkig hielden ze in den vreemde vast aan hun overtuiging, dat God niet huisde in een of ander beeld, in een of ander dier; en ook niet in een of ander verschijnsel aan de hemel. Alle dieren waren slechts schepselen uit Gods hand, net als de mens. Alle beelden waren slechts materie en de sterren waren door God bedacht om de tijd in te delen in dagen en jaren. 
Het Joodse scheppingsverhaal is in Babylon geschreven. De zeven dagen staan er niet onder bescherming van een planeet. Ze worden brutaalweg genummerd: ‘dag één, dag twee, dag drie...’. Alleen de zevende dag mag een naam hebben: ‘Sjabbat’ en dat is geen planeet; het betekent ‘rustdag’.

DAG OM TE RUSTEN
Als we dus vandaag lezen hoe het volk van Israël zijn grondwet krijgt – wij kennen die als ‘de tien geboden’ –, dan wordt er opvallend veel aandacht besteed aan de naam van God. Hij is de bevrijder uit slavernij, Hij is niet te vereenzelvigen met welk beeld ook. Het volk wordt onder druk gezet om hieraan vast te houden. God is geen goud, geen koninklijk gezag, geen zonsverduistering, geen vulkaanuitbarsting, geen rijke oogst..., God is de kracht die mensen wil oprichten tot vrije schepselen. Dat konden de onderdrukkers in Babel en Rome zich in de zak steken!
De coronacrisis heeft veel verdriet teweeg gebracht. Onverwerkte rouw, gefrustreerde jeugd, eenzame ouderen..., maar sommige mensen hebben ook iets teruggevonden van de rust van een zondagse wandeling door de natuur. Van de stilte in de straat. Want het is in die rust, dat de mens niet langer afgeleid is door zichzelf, maar de vraag opkomt: waarom leef ik? Voor wie leeft ik? Kan ik er dankbaar voor zijn? Kan ik voelen dat ik er mag zijn? Dat ik bemind ben? De stilte is de ontmoetingsplek met God. 
Dat is de zin van de zevende dag: de betekenis van je leven vind je niet op je bankrekening, niet in je diploma’s, en zeker niet bij het aantal ‘likes’ op facebook, en het zit ‘m ook niet in de bos bloemen op je verjaardag. De zin moet oplichten uit je ‘er-zijn’ zelf, los van je prestaties, los van je aanzien, los van je bezit. Puur je bestaan hier op aarde is gezegend, en daar mag je je van bewust zijn. Als je dat niet meer sámen doet met de hele gemeenschap, doe het dan individueel, maar verlies het niet: het besef van Gods liefde, op de dag dat je even niets aan het presteren bent!

NIET OMKOPEN!
Lieve kinderen. ‘Kom’, zei mamma tegen Emma, ‘steken we nog even de straat over en dan branden we een kaarsje voor opa.’ Dat vond Emma leuk. Ze wist dat zij het kaarsje aan het vuur van een ander kaarsje mocht aanmaken; en de kaarsjes, die bijna op waren, mocht ze uitblazen. Ze huppelde het kerkplein over. ‘Waarom steek je een kaarsje aan?’, vroeg ze bij het Maria-altaar. ‘Voor opa. Dat opa beter wordt.’ ‘Wordt opa beter van een kaarsje?’, redeneerde Emma verder. ‘We hebben er zeker al zes opgestoken. Hoeveel moeten we nog?’ ‘Nee, natuurlijk niet!’, zei mamma. ‘Hij wordt niet beter van het kaarsje. Dat zou makkelijk zijn. En goedkoop! We kunnen de hulp van God niet kopen. Het kaarsje is er voor onszelf, dat we er gerust op zijn. Dat we zeker weten: God vergeet ons niet.’ Emma vond dat maar ingewikkeld. Maar een kaarsje opsteken dat was niet ingewikkeld. Toen het stond te branden, vroeg ze met haar allerliefste gezicht: ‘Zal ik dan nog maar eentje opsteken?’




 
 

Lygia Tijdeman
Wat een mooie interpretatie van de zondag.