De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later
2020 - 25ste zondag door het jaar © Harrie Brouwers, Voerendaal







HET LOONZAKJE VAN DE ANDEREN





HET MONDKAPJE VAN ANDEREN...
De kerk is toch de plaats waar we nadenken over hoe we in het leven staan...? En de zondagochtend is daar het goede moment voor. Laten we ons dan eens afvragen, hoe we het afgelopen halve jaar zijn omgegaan met de corona-maatregelen. 
Mij is één ding heel erg opgevallen, namelijk hoezeer mensen elkaar met argusogen in de gaten houden. In de eerste maanden leidde dat tot een gewetensvol en solidair gedrag; niemand wilde voor anderen onderdoen en iedereen wilde helpen om het virus snel uit de wereld – of althans uit ons land – te bannen. Maar dat brokkelde af. De teugels werden gevierd. Het aantal uitzonderingen op de regels zag je om je heen groeien. En wat bij de kapper kan, dat kan toch ook bij mij in de gang...? Wat in Zweden kan, dat kan toch ook hier in de kamer? Wat Trump doet, dat mogen wij toch ook...? Je gaat eigenlijk alles als verleiding voelen, wat waar dan ook mag of kan. Zo worden overal om je heen de richtlijnen opgerekt. De meeste mensen redeneren niet: wat hij de tandarts moet, dat moet bij mij thuis ook; wat in de trein moet, dat doe ik bij mij in de hal ook; en wat in België moet, dat doen we voor de zekerheid hier ook maar. Elkaar in de gaten houdend, ervaren we de druk die uitgaat van de publieke opinie.
Dat is natuurlijk niet nieuw. Door datzelfde mechanisme zaten vroeger de kerken zo vol en zitten ze nu zo leeg. Dit is uiteraard niet de enige oorzaak, maar wel een versterkend en versnellend motief. 

HET SALARIS VAN DE ANDEREN
Wat anderen mogen, dat willen wij ook. Jezus vertelde daar een verhaal over. Een werkgever huurt mankracht in. Met elke werknemer komt hij het normale dagloon overeen en iedereen is daar tevreden mee. De wrevel ontstaat pas bij de uitbetaling. Dan is iedereen de afspraak met de baas vergeten en ziet alleen het loon van de ander, normeert zichzelf daaraan, en de afgunst ontbrandt. Het lijkt er trouwens wel op, dat de baas in het verhaal, de jaloezie een beetje provoceert. Hij had de uitbetaling ook kunnen beginnen bij de werkers die de 12 uur hadden vol gemaakt. Die waren vervolgens tevreden naar huis gegaan. Daarna had hij de denarie kunnen geven aan degenen die korter hadden gewerkt. Maar de betaalmeester moet van zijn baas bij de deeltijdwerkers beginnen en zo laait de afgunst op in de harten van de andere arbeiders.
Is het met ons niet net zo? We hebben ook dikwijls het gevoel – ik chargeer een beetje –, dat we recht hebben op wat de anderen ook bezitten. We lijden eronder als we ons niet dezelfde vakantie of auto kunnen permitteren. We kunnen daar ongelukkig en ontevreden van worden. En er zijn altìjd anderen, die jonger zijn, knapper, rijker of gezonder! Tegelijk weten we natuurlijk ook wel dat velen hun huis en haard aan de oorlog hebben moeten prijsgeven en nu opnieuw ternauwernood aan de brandende hel ontsnapt zijn. Er zijn velen die niet kunnen lopen, die niet kunnen zien, of niets horen..., er zijn miljoenen die vandaag niets te eten hebben! Maar met hen vergelijken we ons niet, net zo min als de werkers van het eerste uur zichzelf vergelijken met de vele mannen en vrouwen die nergens werk hadden kunnen vinden. Die niet één denarie hadden verdiend. En die zullen in de dagen van Jezus in de meerderheid zijn geweest.
 
HET GELUK VAN DE ANDEREN
Bij mij dringt de vergelijking zich op met de manier waarop tegenwoordig veel Europeanen over vluchtelingen oordelen. In Jezus’ tijd had de parabel een andere actualiteit. Matteüs vermeldt het niet, maar ik denk, dat de parabel thuishoort in het dispuut met de Farizeeën. Deze verweten Jezus dat hij zondaars en andere onreinen te gemakkelijk in het verbond met God betrok. ‘Wees niet jaloers, als je ziet dat God goed is en barmhartig’, is zijn boodschap. 
Enkele generaties later, als Matteüs zijn relaas voor de eerste christenen opschrijft, is er een andere actualiteit. De oorspronkelijke christenen waren van Joodse huize en onderhielden alle wetten van de Thora, en nu zegt Paulus dat dit nodig is. ‘Christus is er ook voor de onbesnedenen!’ Dat vinden de orthodoxen te gemakkelijk en de afgunst is gewekt.
Als we thuis ons bordje niet leeg aten, dan kregen we vaak het vermaan: ‘Denk eens aan de kindertjes in Biafra...!’ En soms begaan we de fout om een zieke te troosten met de opmerkingen dat anderen nog meer pijn hebben... Er is altijd wel iemand op de wereld die het erger heeft dan wij. Maar laat dàt ons er niet van weerhouden, om ons het verhaal van Jezus ter harte te nemen. Als we het goed genoeg hebben, dan moeten we anderen hun geluk gunnen. Dat is beter voor de wereldvrede en het is beter voor onszelf!
 
HET KASTEEL OP SLOT
Lieve kinderen. Voor haar vierde verjaardag had Eva een prinsessenkasteel gevraagd. ‘Weet je hoeveel dat kost?’, had pappa gevraagd, maar Eva had alleen maar geantwoord: ‘Ik mag het toch wel vrágen!’ ‘Rose vind ik het mooiste, en lila’, riep ze nog.
Op de ochtend van de verjaardag was ze het al lang weer vergeten. Haar stoel was versierd. Ze kreeg een kroon op haar hoofd. Er waren wentelteefjes en al 2 grote kaarten van oma en tante Jo. En toen werd ze een beetje stil, want op de kaarten stonden roze prinsessen. ‘En nou je cadeau!’, zei pappa. ‘Het is iets heel bijzonders, maar je wordt ook al vier. Ga maar eens kijken in de keuken.’ Ineens klonk een harde gil door het huis. Eva stond te trappelen en te schreeuwen van pure vreugde. Op de keukentafel prijkte het kasteel. ‘Pappa, laten we het gauw op mijn kamer zetten. Dalijk komen de kinderen en die willen er allemaal aanzitten. Dat wil ik niet. Je moet het ook tegen niemand zeggen. Anders is het zo kapot.’ Het kasteel heeft wel twee maanden onaangeroerd op haar kamer gestaan. Het leek wel het kasteel van Doornroosje.