De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later
2019 - 4de zondag door het jaar © Harrie Brouwers, Voerendaal




IN DE AFGROND STORTEN...!




GETROFFEN
Soms verloopt het leven als een kabbelende beek. Alles loopt lekker - jaren achtereen niets aan de hand. Maar dan ineens overkomt je de ene ramp na de andere. We verzoenen ons daarmee met het gezegde: ‘een ongeluk komt zelden alleen!’ Tot mijn negentiende levensjaar verliep het leven thuis tamelijk gelukkig. Het neerslaan van de Hongaarse volksopstand schokte ons wel, maar het gebeurde in een onbereikbaar land achter het ijzeren gordijn. De watersnoodramp maakte diepe indruk, maar we hadden er geen familie of vrienden en de zee was op veilige afstand. Ik had net mijn eindexamen gehaald en besloten om theologie te gaan studeren; eens kijken of priester-worden iets voor mij was. In dat jaar stierf mijn vader na enkele maanden ziek te zijn geweest. Het was de eerste keer dat ik iemand zag sterven. Een lange nacht hoorde ik hem hijgend naar adem snakken. Het geluid zit nog in mijn oren. Terwijl hij in Sint Annadal lag, werd mijn jongste broertje er ook opgenomen. De verwijsbrief van de huisarts was dichtgeplakt. Voor de flauwe kul hield ik hem tegen het zonlicht. Ik verstijfde toen ik duidelijk door de enveloppe heen kon lezen: ‘Ik vertrouw het niet....’ Mijn broertje zou een jaar later overlijden. De sfeer in huis was bedrukt en mijn moeder ontroostbaar. 

VOORKEURSBEHANDELLING
Ik begreep heel goed dat ik bij God geen streepje voor had, vanwege de theologiestudie, maar het voelde toch verkeerd. De twijfel of God wel echt bestond werd misschien een beetje aangewakkerd, maar ik had altijd wel geweten dat er veel ellende in de wereld was; dat mijn ouders net een afschuwelijke oorlog achter de rug hadden; dat er enkele kilometers naar het Oosten miljoenen onschuldige mensen waren omgebracht. Ik wist dat er kinderen stierven in Bangladesh; dat er in de Congo gevochten werd, en dat er veel onrecht werd geleden in de kampen van Siberië en in Zuid-Afrika. Maar er was iets anders dat me erg bezighield. Als ik inderdaad in de kerk zou gaan werken, dan zouden er zeker mensen komen vragen of ik wilde bidden voor een zieke echtgenoot, of ik een Mis wilde opdragen ter intentie van doodziek kind. Zou ik geloofwaardig op bedevaart kunnen gaan voor iemand anders, als mijn broertje dood was gegaan? Zou ik die oneerlijkheid van God kunnen verdragen? Zou ik de ondoorgrondelijkheid van Gods genade kunnen accepteren? Waarom zou God de een helpen en mijn broertje niet? Zou ik ooit nog op een wonder durven hopen? Ik wist dat er geen antwoord was, maar zou ik de vraag zelf niet, als een open wond, altijd hinderlijk met me meedragen?

VERONGELIJKT
Ineens ben je dan in de synagoge van Nazareth. Jezus staat er als jongeman op de sabbat te redeneren. Hij heeft een stukje voorgelezen uit Jesaja. De profeet kondigde de komst van Gods koninkrijk aan. Jezus commentaar is kort en krachtig. ‘Dat rijk van God is er al!’ roept hij. Het volk reageert blij verrast, maar al spoedig komt er twijfel op. ‘Is dat niet die jongen van Maria en Jozef? Wat weet die er nou van?’ Jezus’  reactie is: ‘In zijn eigen dorp wordt een profeet niet erkend. Dat hebben we eerder gezien.’ Hij voegt er een paar keiharde voorbeelden aan toe. ‘Heb je niet gelezen over die hongersnood van drieënhalf jaar. Veel Israëlieten zijn toen gestorven . De grote profeet Elia deed echter maar één wonder, en dat was voor een buitenlandse weduwe uit Sarepta. En anders zijn opvolger wel, de profeet Elisa. In zijn tijd waren er veel melaatsen in Israël. Niemand werd genezen, alleen een Syriër, Naäman.’ Deze opmerking wekt grote woede op. ‘Buitenstaanders eerst!’, dat verdragen ze niet! Je moet het vandaag de dag ook maar niet te hard roepen. ‘Denk niet dat jij boven de anderen uitverkoren bent’, zegt Jezus. Niet omdat je braaf bent of katholiek, niet omdat je altijd veel gegeven hebt aan de armen, niet omdat je theologie studeert, niet daarom heeft God jou lief. Jij bent hem evenveel waard als elke goddeloze en afvallige. 

GEROEPEN
Mensen worden door rampen getroffen. De verleiding is groot om God dan de maat te nemen, en Hem te beoordelen naar wat wij van de werkelijkheid begrepen hebben. Dan kunnen we alleen maar boos worden en God naar de rand van de afgrond jagen, als de kerkgangers in Nazareth. 
Die boosheid verandert pas, als ik mijzelf begrijp als het instrument waarmee God dichtbij de mens wil zijn. In ons is Hij er om pijn te verzachten en verdriet te delen. Misschien bedoelde Jezus dat ook, toen hij Jesaja hoorde zeggen: ‘de lammen zullen lopen en de blinden zullen zien’ en als zijn commentaar gaf: ‘Daar gaan we nu mee beginnen!’

DEO
Lieve kinderen. Soms begrijp je iets niet. Je verzint er iets op, of je vraagt het aan iemand. ‘Hoe zit dat nu?’ Vaak leggen ze het je uit; en vaak zeggen ze: ‘dat kun je nu nog niet begrijpen; komt later wel!’ Maar later zul je ontdekken dat er veel meer vragen zijn dan antwoorden, en dat er na elk antwoorden tien nieuwe vragen komen. En jij vraagt maar door! De hele dag! Pas als het donker wordt, ga je slapen. Dan geloof je het wel. In de kerk bidden we dan: ‘God dank je wel voor de wereld die zo vol raadsels is. 
Ik zal je een voorbeeld geven van zo’n slim kindje. Was je met kerstmis ook in de kerk? Of met Driekoningen? Dan heb je vast wel dat liedje meegezongen: ‘Glo- ho-ho-ho-hoo, ho-ho-ho-ho-hoo, ho-ho-ho-ho-ho, -ria, in excelsis Deo!’ Een oma stuurde me een mailtje. Ze had met haar kleindochter in de kerk gezeten. Die had met een ernstig gezicht nadenkend zitten luisteren en fluisterde toen oma in het oor: ‘Deo..., dat is toch voor onder de oksels?!’ Sophie had nagedacht! En ja, Deo is voor onder de oksels en in het Latijn betekent het ‘God’. En God is werkelijk overal!