2018 - Christus Koning © Harrie Brouwers, Voerendaal




WERELDVREEMD




WEL IN DEZE WERELD....
Ze had de dood in de ogen gezien. Maanden eerder had ze zich ziek gevoeld, wekenlang. Gedacht, ‘wat vanzelf komt, vanzelf gaat...’; dokters had ze gemeden. Maar het was er toch van gekomen: de gang naar het ziekenhuis. Onderzoeken, spuiten, testen, puncties... En toen de uitslag. ‘Ik heb helaas geen goed nieuws voor u.’ Het bloed was weggetrokken uit haar hoofd. Uiterlijk onbewogen hoorde ze het doodvonnis; althans, wat er nog van door drong. ‘Was dit het dan?’ ‘Te laat’, hoorde ze zeggen, ‘te ver gevorderd’, ‘niet meer te helpen’. ‘Of misschien toch..!’ Er kwam een laatste wanhoopsoffensief. Iets experimenteels. Het zou een zware weg worden. En dat was het ook geworden. Veel erger dan gedacht. Wekenlang geïsoleerd, bijna moordende kuren. Geen eetlust meer, geen zin om op te staan, angst om te gaan slapen, nauwelijks nog bloed en bijna niet meer in staat om te lopen. Maar tenslotte, na een eindeloze eenzame lijdensweg, met lieve mensen aan haar zij, begon een langzame terugkeer naar het leven. 

NIET VAN DEZE WERELD
Elke dag kwam er iets meer bloed in de aderen, iets meer zon op de huid, en meer aandacht op voor een vriendelijk woord.
‘Maar’, vertelde ze later, ‘er was iets geks gebeurd. Ze hoorde de mensen praten; ze zag hoe ze bezig waren, maar het was haar wereld niet meer. Het was alsof ze op een vreemde planeet rondrenden, die haar nog vaag bekend voorkwam. Ze vroeg zich af: waar maakt iedereen ze zich toch zo  druk om!’
Het maakt toch niets uit, met hoeveel miljoen pixels je telefoon een foto maakt! Het enige is toch of je op het juiste moment iemand hebt opgebeld, en of je de goede woorden hebt gevonden om het hart te raken van die ander. Het gaat er toch niet om, of het energiebedrijf excuus heeft aangeboden en of taxikosten naar het ziekenhuis aftrekbaar zijn. Het is toch veel belangrijker dat je hart open staat voor de frisse lucht van de ochtend, voor de vogels die uit de mist komen aan-gevlogen, voor de gebakken champignonnetjes met liefde opgediend. Ze leefde weer. Ze had een herkansing gekregen en ze pakte hem beet met beide handen: ze voelde dat ze ‘ìn de wereld was’, maar ze was niet meer ‘vàn deze wereld.’
We hoorden het Jezus tegen Pilatus zeggen. ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.’ Wees maar niet bang. Stel de keizer in Rome maar gerust. Laat de soldaten maar weer inrukken. 

KONINKRIJK
Jezus moet een andere wereld hebben gezien. Een wereld die je alleen met je fantasie en met je liefde kunt betreden. Een wereld die je misschien even ervaren hebt toen je pas geboren was, toen je door mamma en pappa op handen werd gedragen, gewild was, toegelachen, beweend en bewonderd, in slaap gezongen en met hagelslag wakker gemaakt. Een blik in dat paradijs, in de wereld zoals ze moet zijn, zoals ze kàn zijn, een blik in de hemel..., en de hele wereld om je heen, zoals zij wordt weergegeven in de krant, de Brexit, de handelsembargo’s en de hekken tegen armen op de vlucht..., die wereld is vreemd geworden, onwerkelijk, vijandig zelfs. 
Jezus had een Samaritaan in de ogen gekeken, en een mens gezien die net zo was als hij. Hij was getroffen door de angst in het gezicht van de overspelige vrouw en begreep dat zij ook een kind van de God was, net als hij. Hij had de Romeinse soldaat gezien, stoer met een zwaard en ver van huis, en de melaatse veroordeeld tot een leven in isolement... En steeds luider begon hij te verkondigen dat het anders kon, dat het anders moest. De melaatse omhelsde hij, door alle weerstanden heen, de Samaritaan zwaaide hij in het openbaar alle lof toe, en de stoere, bang soldaat bood hij de linker wang aan, want er is een andere wereld. 
En wij? Wij zijn ook niet van deze wereld. En die anderen wereld, is ons thuis. We kunnen haar zien met onze liefde en met onze fantasie. Dat is het geloof van Jezus. Laat hij dan onze koning zijn!


PRINCES
Lieve kindreen. Ik had aangebeld en de deur ging open. Een moeder maakte de deur open. Achter haar had zich een meisje verstopt. Ik zag haar witte rokje met glittertjes en een kroontje op haar hoofd. ‘Goede middag, mevrouw, en goede middag koningin!’, zei ik beleefd. Het meisje met de kroon trok haar hoofd snel terug zodat ze helemaal achter mamma’s benen was verdwenen. En van daar riep ze: ‘ik ben geen koningin. Ik ben princes!’ Natuurlijk, hoe kon ik me zo vergissen. Koninginnen zijn er om van alles te regelen. Die zijn de hele dag bezig met moeilijke dingen. Er is veel te doen in een paleis. Veel personeel in de keuken en in de gangen, tot in de torens toe. Koningen en koninginnen moesten op visite gaan en bezoek ontvangen, en met andere koningen en koninginnen praten. Dat was geen pretje, dat begreep ze wel. Maar prinsen en prinsessen, die konden buiten spelen en in het gras. Die konden herten zoeken in het bos en thee drinken in de zon. Die konden zich koelte toewaaien met een waaier en kattenkwaad uithalen en vooral mooie kleren dragen en zich de haren laten borstelen en paard rijden. Anne was verdwenen. Ik zag haar niet meer. Het bezoek van mij was niks voor een princes. ‘Wat komt u doen?’ vroeg de mamma van Anne. ‘Wat ik wilde vragen,’ zei ik. Een echt grotemensen gesprek werd het. De princes zat in een hoekje van de kamer bij haar knal rose kasteel. Het stond te dromen in een andere wereld, waar wij niet konden komen! 



 

Rob Nievelstein
Geweldige preek!