De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later
2018 - 6de zondag van Pasen © Harrie Brouwers, Voerendaal



DE ONTDEKKING VAN PETRUS




FRATERNITÉ
U kent die gekscherende opmerking wel: álle mensen zijn gelijk, maar sommigen een beetje gelijker dan de anderen’. Ze  hekelt het feit dat mensen wel dikwijls met de mond belijden dat iedereen gelijk is, maar dat zij zich evengoed in de praktijk beter voelen dan de rest.
De Franse revolutionairs die tweehonderd jaar geleden luidkeels ‘égalité’ uitriepen in de straten in Parijs, hakten net zo makkelijk de hoofden van de rompen af van iedereen die niet met hen mee schreeuwden. 
De communisten, de socialisten, de christenen..., ze hebben allemaal beklemtoond dat alle mensen gelijke rechten hebben, maar in de praktijk waren de verschillen groot, ook binnen de eigen gelederen. Wie kent niet de verhalen over de standsverschillen in de kloosters tussen soeurs en mères, of tussen broeders en paters?

KAMERADEN
Gorbatsjov beschrijf ergens een grap die circuleerde onder de leden van het Politbureau ten tijd van Brezjnev. De dictator kreeg eens zijn oude moeder op bezoek en hij liet haar trots zijn kantoor zien, de grote zaal, het prachtige bureau en de koninklijke entree. Daarna nam hij haar mee naar zijn luxueuze Datsja buiten de stad aan de rand van het bos. De moeder vergaapte zich eraan. Tenslotte mocht ze ook zijn vakantieverblijf zien aan het strand van de Zwarte Zee. Toen legde de moeder haar hand op zijn arm en keek hem met een bezorgd gezicht aan. Ze vroeg hem: ‘Leonid, als de communisten aan de macht komen, nemen ze je dat dan allemaal af?’ Alle kameraden waren gelijk, maar sommigen wat meer dan de anderen!
Ik lees tegenwoordig op facebook maar ook in kranten felle aanvallen op mensen die niet verdraagzaam zouden zijn, veroordelingen van groeperingen en gelovigen die de vrije meningsuiting niet respecteren. Soms besluiten die aanklachten met het voorstel om die godsdiensten of stromingen maar te verbieden en de mond te snoeren en in elk geval het recht te ontzeggen zich met uiterlijke tekenen te manifesteren, want alle mensen zijn gelijk maar sommigen iets minder dan wij.

BROEDERS EN ZUSTERS
Ook in het christendom vinden we deze schijnheiligheid. In de handelingen van de Apostelen, de eerste lezing, lazen we een uitroep van Petrus: ‘Nu begrijp ik pas goed’, zeg hij, ‘dat God geen onderscheid maakt tussen mensen!’ Petrus roept het uit als Cornelius hem met een kniebuiging begroet. Hij helpt hem overeind en zegt: ‘Sta op, ik ben ook maar een mens...’ De begroeting gaat vooraf aan het inzicht dat Gods genade er is voor iedereen, ook voor de heidenen, voor Joden en Hellenen, voor elke mens en ieder volk. Dat inzicht is een breuk met de opvattingen van zijn traditie. Daar lag immers veel nadruk op het feit dat God speciaal dit volk had uitverkoren. Deze breuk met de oude overtuiging is een fundamenteel inzicht aan de wieg van het christendom. God maakt geen onderscheid tussen mensen. Ik denk zelfs, dat je dit kunt omdraaien. God is een begrip dat het onvoorstelbare symboliseert. God is onkenbaar, hij is zelfs niet te vermoeden, maar we naderen Hem schoorvoetend als we elkaar, zonder onderscheid, kunnen benaderen als gelijken.
Dit ideaal dat wij allemaal kameraden zijn, broeders en zusters, èèn grote ‘fraternité’, dat houden we hoog, misschien juist omdat het zo op gespannen voet staat met onze dagelijkse handel en wandel.
En dus helpt Petrus Cornelius overeind. Hij is een even geliefd kind van God als hij zelf is. De mens die het christendom verwerpt, de mens die dweept met de Koran, het kind dat zich niet weren kan, de man die zoveel liefde tekort kwam dat hij lak aan elk fatsoen en elke moraal heeft, de vriendin van vader die onlangs weduwnaar werd..., ze zijn allemaal kinderen van de Allerhoogste die recht hebben op onze aandacht en zorg.
Ik zeg niet dat het makkelijk is. Ik zeg wel dat dit het ideaal is waarnaar we reiken. Dan hangt de Geest van God boven ons hoofd. Dan wordt het spoedig Pinksteren!

EENDJES
Lieve kinderen. ‘Weet je wat we vanmiddag gaan doen?’ De vraag van opa klonk als een belofte. Maya keek hem nieuwsgierig aan. ‘We gaan de eendjes voeren!’ Opa had zich er al de hele week op verheugd, maar Maya keek bedenkelijk. ‘Vind je dat niet leuk?’ ‘Ik vind het stomme beesten!’, mopperde Maya. Waarom gaan we niet naar Ikea ontbijten?’ ‘Eendjes zijn toch geen stomme beesten!?’, zuchtte opa. ‘Die grote eenden, die willen al het eten voor zichzelf. Die duwen de kleintjes weg. En sommige die pikken het brood gewoon weg uit mijn hand, en als ik iets naar de kleine eendjes gooi, dan trekken ze die het brood nog uit de bek!’ Maya had goed gekeken. De grote sterke eenden die aten eerst alles zelf op, tot ze genoeg hadden, en dan mochten de kleintjes hier en daar wat meepikken. ‘Tja’, zei opa berustend, ‘dat is waar. Eerlijk delen is niks voor dieren..’ Hij bracht de zak met oud brood weer naar de keuken. ‘Zullen we dan maar naar Ikea gaan?’ En in de keuken mopperde hij er achteraan: ‘maar ik denk niet dat het er daar veel anders aan toe gaat!’