2018 - 3de zondag in de 40dagentijd © Harrie Brouwers, Voerendaal


{mp3}preek 25 februari 2018 Kunrade - 40dagentijd 3{/mp3}





'SALE' IN DE 'CHURCH'



HUIS VAN GOD
Het is een intrigerend beeld: Jezus die met een zweep de kooplieden uit de tempel ranselt. En toch heb ik het altijd verkeerd begrepen! Boeiend was vooral, dat Jezus hier eens niet die lieve, zachtmoedige figuur was die mij vanaf de bewaarschool was voorgehouden. Altijd met schapen aan de gang, het liefst met lammetjes; en altijd te vinden bij de zieken om te troosten en te genezen; altijd bereid om te vergeven. Zelfs na een klap in zijn gezicht zou zich liever een tweede keer laten slaan, dan een robbertje te vechten. Zo’n beeld is natuurlijk wel mooi, maar wat een opluchting om dan ook te ontdekken dat hij boos kan worden, grimmig, zelfs gewelddadig. En dat precies gebeurde er in de tempel.
Maar dit had ik dus verkeerd begrepen! De fout begon al bij de voorstelling van de tempel. We dachten te veel aan onze kerk. Daar kom je binnen in het schemer donker met resten wierookgeur. Er hangt een gewijde stilte. Ergens fonkelt kaarslicht. Er staat een tafel. Daarachter staan kooplieden die hun artikelen hinderlijk luid aanbevelen: beeldjes van Antonius, Lourdeswater, rozenkransen, iconen..., met van alles willen ze geld te verdienen en ze proberen hinderlijk klanten te lokken. Jezus voelt zich gestoord in zijn meditatie. Hij wil zich hier verdiepen in zijn eigen bestaan; hij zoekt hier contact met de Eeuwige van Israël; Hij is belandt op een cruciaal punt in zijn leven. Maar de verkooppraatjes en de reclameleuzen weerhouden hem hiervan. De irritatie loopt hoog op en ineens begint hij al het koopvolk weg te jagen: ‘jullie hebben hier niets te zoeken. Weg!’ 
Uit de Pancratiuskerk herinner ik me huwelijksmissen op zaterdag. Terwijl ik aan de bruid het jawoord vroeg, klonken de luide stemmen van de bananenboxers door tot de gewijde ruimte: ‘én nòg een, en nòg een, en nòg een..!’ Ook hier kun je achter in de kerk voor geld een kaarsje branden.

PLEIN
Maar de tempel van Jezus was vooral een plein. Het was een openlucht heiligdom, bestaande uit een aantal concentrische pleinen. Het buitenste plein was voor iedereen, mannen en vrouwen, joden en niet joden. Het was een ontmoetingsruimte. Als je niks te doen had overdag, dan was dit een plek waar je altijd wel een bekende kon tegenkomen. De tempel werd  bezocht door gelovigen uit het hele land, en iedereen die naar Jeruzalem kwam, kon je hier vinden. In dit deel stonden ook de kraampjes. Er werd geld gewisseld om de tempelbelasting te betalen.  Er werd vlees verkocht. Dat vlees was niet om je honger te stillen. Het waren geen restaurantjes, nee, dat vlees was bedoeld om te offeren. De Heer van Israël verlangde offers van geiten, schapen, runderen en duiven. Maar ook graan werd geofferd, olijfolie, wierook en zout. Als je een offer had aangeschaft dan ging je daarmee naar het tweede plein, dat iets hoger gelegen was. Daar waren afzonderlijke delen voor vrouwen, mannen en tenslotte voor de gewijde mannen. De priesters namen het offer mee naar het altaar. Nog iets hoger stond het heilige der heilige, een hoog gebouw waar de onzichtbare God woonde en waar alleen de hogepriester een keer per jaar mocht komen. 
Het was dus niet zo dat Jezus zich stierlijk had zitten ergeren aan hebberige kooplieden. Nee, het is veel ingrijpender. Jezus doet een aanval op het godsdienstig systeem zelf in Jeruzalem. Het onderhouden van het verbond met God, het brengen van offers en het daarvoor vragen van gunsten, dat sabelt hij neer. ‘Jullie hebben van godsdienst een handeltje gemaakt. God hoeft dat vlees niet,  God wil alleen dat jij recht doet, dat je hongerigen voedt, dat je zwervers onderdak biedt en dat je zieken bezoekt.

GERECHTIGHEID
Dus als wij ons iets van Jezus willen aantrekken, dan moeten we niet de offerblokken verwijderen bij het Maria-altaar, maar we moeten proberen om God niet als een handelaar-in-geluk te benaderen. Wat God vraagt is dat we hem vertrouwen. Hij weet als een goede vader precies wat we nodig hebben, lang voor we ergens om hebben gevraagd. We hoeven hem er ook niets voor te beloven, alsof hij zit te wachten op onze pijn, ons kwartje, of onze vastendag. Doe gerechtigheid. Doe mee aan de vastenactie. Geef iets voor de mensen in Zambia. We helpen er de zusters die programma’s hebben ontwikkeld voor de meest kwetsbare groepen in de door Aids geteisterde bevolking. U ontvangt een zakje voor de vastenactie. 
Jezus’boodschap is: vertrouw erop dat God weet wat goed voor ons is. Geef je daar met een gerust hart aan over!

KASSA
Lieve kinderen. Emma deed niets liever dan winkeltje spelen. Ze had een grote kassa en die rinkelde als het laatje open ging en nog eens als het dichtging. Dus dat gebeurde heel vaak. In de winkel was van alles te krijgen, vooral rozijntjes. Suikerklontjes af en toe. En verder vooral lege doosjes en sinaasappels en bananen, maar die waren alleen voor de alsof. Nu had ik een worstenbroodje gekocht. Voor de alsof. Allicht. Ik moest er tien euro voor betalen, wat ik wel wat veel vond, maar, beloofde Emma, daar kreeg ik dan wel zegeltjes voor. ‘Weet je wat?’, vroeg ik aan de winkeljuffrouw - de kassa had al open geklingeld. ‘Weet je wat? Geef me in plaats van zegeltjes maar een kusje.’ Emma schrok. Ze keek me verlegen aan. Dat kan toch niet! Een winkeljuffrouw geeft toch geen kusjes! Maar zegeltjes had ze ook niet, dus als ik haar dan een high-five gaf, dan kreeg ik twee kusjes voor de alsof terug en het worstenbroodje. Aldus werd besloten, want het ging tenslotte niet om de knikkers maar om het spel!