2017 - 31ste zondag door het jaar  ©  H.Brouwers, Voerendaal


{mp3}preek 5 november 2017 Kunrade - door het jaar 31{/mp3}


 



FARIZEEËRS ALS ELITE
We zongen als kind een lied van het Watergeus cabaret dat Radio Oranje in de oorlog had uitgezonden: ‘Op de hoek van de straat stonds een nsb-er, ‘t was geen man, ‘t was geen vrouw, ‘t was een farizeeër.., en verkocht het vaderland voor 5 cent! Farizeeërs hadden al in ons kinderhart een zeer slecht naam.
Er waren - volgens een schatting van Flavius Josefus - ongeveer 6000 farizeeërs in de dagen van Jezus. De hele bevolking van Israël in de oudheid wordt op 70 duizend geschat. Dan zou dus 8,5 procent farizeeër zijn geweest. Zij bestonden toen al anderhalve eeuw. Ze vormden een religieuze elite. Ze zonderden zich af van het gewone volk. Dat betekent de naam ‘farizeeër’ ook: ‘afgezonderde’. Ze kenmerkten zich door een strikte naleving van de wet. Dat niet alleen, ze bouwden de wet van Mozes ook uit. Allerlei oplossingen bedachten zij voor nieuwe vraagstukken. De apostel Paulus had een opleiding tot farizeeër gehad. Daarvoor had in Jeruzalem gestudeerd. Farizeeërs noemt hij de strengste richting binnen het Jodendom.  
 

FARIZEEËRS ALS VOORHOEDE
Voor het Jodendom zijn de farizeeërs erg belangrijk geweest. Ze zaten achter de opstand van de Joden tegen de Romeinen, 40 jaar na Jezus’ dood. Keizer Nero stuurde 60 duizend legionairs naar de stad. Na de belegering kwamen minstens 100 duizend joodse strijders om het leven. De Romeinen verwoestten de stad. Ook de tempel werd vernietigd. Het Jodendom verloor zijn priesterlijk karakter. Tempels en offers waren niet langer mogelijk. Het geloof kwam in een diepe identiteitscrisis. Het hele religieuze leven moest in enkele jaren veranderen van een offergodsdienst met vaste feesten rond de tempel in Jeruzalem naar een studie-godsdienst, met een sjoel - leerhuis -, rabbijnen, schriftstudie en gebed. Diep in de Joodse ziel is tot op de dag van vandaag het verlangen blijven leven naar de herbouw van de tempel en de terugkeer van God bij zijn volk. Wanneer een Joodse bruidegom een toost uitbrengt op zijn bruid, slaat hij zijn glas kapot, omdat hij zelfs nu niet echt gelukkig mag zijn; de tempel is immers niet herbouwd. Langs de fundamenten in Jeruzalem staat het volk er nog steeds om te klagen.
Na deze verwoesting, in de diepste crisis van het Joodse geloof, waren het de farizeeërs geweest die het Jodendom gered hebben. Zij organiseerden de hele transformatie van de godsdienst. Het christendom was toen al van het jodendom aan het weg groeien en het is dus niet zo vreemd dat de partij van de farizeeërs er vaak nogal ongenadig van langs krijgt, vooral bij Matteüs. 
 

FARIZEEËRS ALS SLECHT VOORBEELD
In het evangelie van vandaag zegt Jezus iets dat erg interessant is. Hij merkt op dat je moet volgen wat de farizeeërs verkondigen, maar dat je vooral niet moet leven zoals zij leven. Ze stellen zich tussen de mens en Mozes, tussen de goddelijke wet en het dagelijkse leven. Ze ontlenen er hun macht en aanzien aan. Laat niemand dat doen, drukt Jezus zijn volgelingen op het hart.
Als wij vandaag dit evangelie lezen, moet de vraag niet zijn: ‘wie zijn de farizeeërs in Nederland?’ ‘Wie zijn de farizeeërs van de 21ste eeuw?’ Zo moet je de bijbel niet lezen. De vraag moet luiden: ‘schuilt er in mij soms een farizeeërtje?’ Dat wil zeggen: blijft mijn geloof niet al te vaak steken in vrome woorden, in leuzen die gerechtigheid roepen? Wat doe ik in mijn dagelijks leven? Volgens Jezus ligt in de daad ons geloof. En de hamvraag is: zoeken we de macht of durven we te dienen?
En ineens lijkt de kloof die er op geloofsgebied gaapt tussen ons en onze kleinkinderen een stuk kleiner. Als je kijkt naar hoe ze leven, wat ze voor een ander over hebben, of ze offers kunnen brengen, of ze liefhebben, of ze verontwaardigd kunnen zijn over onrecht en ongerust om de toekomst van de schepping, dan lijkt de overeenkomst met ons geloof groter dan het verschil! Laten we dus vooral kijken naar het gedrag van de jonge generatie om te ontdekken dat er veel geloof schuilgaat in hun leven. 

HEERSERES
Lieve kinderen. 
Zo’, zei mamma, ‘nu moet ik even naar de apotheek. Ik ben zo terug en als jullie braaf zijn dan neem ik iets lekkers mee.’ En weg was mamma. Klaartje was nu alleen met haar vriendinnetjes. Els, Maya en Anna keken haar aan. Wat zouden ze gaan doen? Klaartje pakte uit de verkleedkist een gordijn en deed die om haar hoofd. ‘Ik was de koningin’, legde ze uit. ‘En jullie waren de dienstmeisjes.’ ‘Els zet jij die rode hoed maar op’, zei ze streng. ‘En Maya, voor jou is die witte schort.’ Anne had intussen zitten graaien in de verkleedkist en toverde een kroon te voorschijn die ze op haar hoofd zette. ‘Hier met de kroon!’, riep Klaartje. ‘Ik was koningin!’ Ze rukte Anne de kroon van het hoofd. Raf, het broertje van Klaartje had al die tijd in een hoek zitten gamen. De verkleedpartij van die meiden was niks voor hem. Een beetje spottend zei hij: ‘Zal ik een troon voor je bouwen?’ Dat vond Klaartje een goed idee. Raf tilde een keukenstoel op en hees die bovenop de tafel. Toen legde hij daar een gordijn met gouden strepen overheen. Voorzichtig duwde hij de stoel naar achter tot aan het randje van de tafel. De rest begrijp je wel. Klaartje ging op de troon zitten. Ze wilde iedereen eens goed gaan commanderen en toen kukelde ze achterover met kroon, troon en al. Uit het gordijn met gouden strepen klonken woorden die een koningin eigenlijk niet kent, maar de dienstmeisjes schoten met lachend gezicht te hulp. De deur ging open. Daar was mamma met een doos gebakjes. Die gaf ze aan Klaartje. ‘Alles goed gegaan?’, vroeg ze. ‘Tuurlijk zei Klaartje. ‘Dan ga maar eens rond en bedien je gasten!’, zei mamma.




 
{mp3}preek 21 oktober 2017 Laurentius - door het jaar 29{/mp3}