2017 - 30ste zondag door het jaar © Harrie Brouwers, Voerendaal


{mp3}preek 28 oktober 2017 Kunrade - door het jaar 30{/mp3}


 




UIT ERVARING




CONDOLEANCE
Het is al lang geleden dat mijn moeder stierf. Ik weet dat er stapels post binnen kwamen met veel condoleancekaarten. De meeste ervan waren stemmig in zwart-wit uitgevoerd, met een liggende palm of twee gevouwen handen er op. Er stonden een paar woorden bij geschreven. Sommige waren wat onhandig en schuchter, andere ontroerend en troostend. Het viel me op dat er kaartjes bij waren van mensen die je kende als stil en verlegen, maar die prachtige dingen schreven. Anderen, die normaal het hoogste woord hadden en altijd de voorgrond zochten, hielden het bij een ‘hartelijk gecondoleerd’, met drie uitroeptekens...! Eén kaartje was van Gonda. Gonda was de dochter van een bevriend stel. Ze reageerde op de rouwbrief die ze gekreegen had. Haar ouders waren niet thuis. Gonda schreef met een beetje bibberig handschrift: ‘Jullie moeten maar denken, je moeder is in de hemel... Mijn moeder zit trouwens in Zwitserland...’ Ik ben het zinnetje nooit vergeten. ‘Troost je: jouw mamma in de hemel, de mijne in Zwitserland!’ Alsof het een wedstrijd was wie het hoogste was gekomen! Ondanks alle onhandigheid troostte het kaartje me: het was oprecht en goed bedoeld. Mijn moeder zou er hartelijk om gelachen hebben.
Later ben ik er achter gekomen, welke mensen je een riem onder ‘t hart kunnen steken, en welke daar de grootste moeite mee hebben. Eigenlijk is het heel logisch: mensen die zelf al eens een groot verlies hebben meegemaakt, die durven zich makkelijker te uiten. Ze voelen zich minder geremd. Het is alsof ze het gevoel hebben, recht van spreken te hebben. Ze weten wat een treurende graag hoort. Wie nooit een sterfgeval van nabij heeft meegemaakt, hulpt zich veilig in vrome cliché’s.

HERINNERING
Het meest troostend, vond ik de brieven waarin iemand iets goeds over de overledene vertelde. Ik hoefde niet te horen dat ik in een zwart gat viel, of dat ik me sterk moest houden, of maar moest denken hoeveel mensen er niet al op jeugdige leeftijd doodgaan... Nee, ik had behoefte aan kleine herinneringen van vrienden en bekenden waaruit bleek dat ik een lieve moeder had gehad. De eer die ze de dode bewijzen, is de beste troost. Je voelt je het meest gekend door iemand die iets moois zegt - het mag heel klein zijn - over de dode. Wie zelf een verlies geleden heeft, die is het best in staat anderen te troosten.
‘Wees lief voor vreemdelingen’, schrijft Mozes zijn volk voor, drie duizend jaar geleden. ‘Jullie zijn immers zelf vreemdelingen geweest. Je weet dus wat het betekent.’ Wees aardig voor vluchtelingen want jou voorvaders zijn ook uit Frankrijk of de Bohemen of België gevlucht, weg omdat er gejaagd werd op de Hugenoten, of op de katholieken..., weg van armoede, geweld en honger. Niemand in Europa woont op de plek waar zijn voorouders altijd hebben geleefd. Je voorouders waren vluchtelingen als Abraham en Mozes. Als je dat maar weet. Het gaat mis als mensen dat niet meer willen weten. 
Wees barmhartig voor mensen die uit de oorlog komen, want jullie of je ouders, hebben de oorlog meegemaakt. De bombardementen, de executies de vervolging van mensen omwille van hun ras. Vergeet niet de kinderen die honger hebben, want jullie grootouders of overgroothouders hebben honger gekend. Dat mag je niet vergeten. Vergeet niet de zieken. Je hebt toch zelf met koorts in bed gelegen. 
De strenge  wet van Mozes heeft een hele humane en sociale paragraaf. We lazen hem vandaag. Vraag gerust rente, maar verrijk je nooit aan de armoede van een ander. Als hij je zijn mantel verpand, geef hem terug als de kou invalt. Je hebt immers zelf wel eens kou geleden! Wat de wet hier formuleert is wezenlijk hetzelfde als wat Jezus samenvatte met de formule: Heb je naaste lief want jullie zitten samen in hetzelfde schuitje. Hij is er net zo een als jij. Zijn leed is jouw leed. Wees heilig, een hele, complete mens, zoals jullie Vader in de hemel heilig is!



REGELS
Lieve kinderen. ‘Je mag hier graag blijven eten’, zei oma tegen Pim, ‘maar je moet je wel aan de regels houden.’ Daan had een vriendje meegenomen uit school, en nu zou die blijven eten. Pim keek haar vriendelijk aan. ‘Nou’, ging oma ernstig verder, ‘voor het eten worden eerst de handen gewassen!’ Pim liep met Daan naar de keuken. Ze hielden hun handen onder de kraan en veegde ze droog aan de broekspijpen. Daan porde Pim in zijn zij en fluisterde: ‘En dit is regel twee: als oma het niet ziet dan telt regel een niet!’ Giechelend gingen ze aan tafel zitten. ‘We hebben nog een belangrijke regel’, zei oma. ‘Als je eten opschept, altijd even kijken of er voor de anderen ook genoeg is.’ Ze liep naar de keuken, Daan schepte twee gehaktballen op en fluisterde naar Pim: regel twee, hè!’ Oma kwam terug. ‘Hier is een servetje, dan hoef je je vingers niet af te likken.’ ‘Waarom niet?’, vroeg Daan. Ze zijn toch gewassen!’ Oma keek Daan aan met een twinkeling in de ogen. ‘Ik geloof er niets van!’, zei oma. ‘Dat je naar de keuken liep wil nog niet zeggen dat je de handen echt hebt gewassen. Mijn stelregel is: geloof nooit kinderen die zeggen dat ze de handen hebben gewassen.’ Daan en Pim schoten in de lach. ‘Regel twee is niet nodig!’, schaterde Daan. Hij sneed zijn gehaktballen in stukken zodat je niet meer zou zien dat het er twee waren geweest, maar oma had het natuurlijk wel gezien. ‘Twee?’, vroeg ze fronsend. ‘Ik had gekeken of er voor Pim genoeg was, hoor’, zei hij verontschuldigend. ‘Pim eet nooit veel!’ Enfin het werd een gezellig familiediner want weet je, eigenlijk had oma maar één regel en die luidde: ‘bij oma mag alles!’ 



 
{mp3}preek 21 oktober 2017 Laurentius - door het jaar 29{/mp3}