2017 - 25ste zondag door het jaar © Harrie Brouwers, Voerendaal

 

 

 

{mp3}preek 24 september 2017 Kunrade - door het jaar 25{/mp3}

 

HET VERDIENDE LOON

 

 

 

DE BROERS

‘Wat denkt u? Natuurlijk ging het om de centen!’ De vrouw ging gebukt onder de ruzie van haar broers. Iedereen leed eronder. Hun vrouwen, maar ook de kinderen, en vooral de broers zelf. Het was begonnen na de dood van vader, bij de verdeling van de erfenis! ‘Toch denk ik niet, dat de ruzie over de centen ging’, zei ik. ‘Ik heb in mijn leven heel wat verhalen gehoord over heftige strijd tussen broers en zussen, maar - eerlijk gezegd - de oorzaak ligt zelden bij het geld.’ Het gesprek ging verder over vroeger. ‘Eric kon niet zo goed leren’, herinnerde de zus zich. ‘Otto overvleugelde hem. Ik denk dat Eric het idee had dat hij het zwarte schaap was.’ Ze begon te beseffen dat de rivaliteit van de broers oud zeer was. ‘Misschien kwam het door de overbezorgdheid van moeder’, peinsde ze. ‘Zij was Eric altijd aan het controleren. Ze dacht dat hij de kantjes ervan afliep, en dat was vaak ook zo.’ Ze begon zich te realiseren dat hij het niet gemakkelijk had gehad. ‘Otto is best aardig’, ging ze verder. ‘Maar het komt hem allemaal een beetje aanwaaien.’ Inderdaad, Eric ging gebukt onder de successen van Otto. Hij was jaloers. Hij gunde hem niks. Hij kraakte de auto af die hij kocht. ‘Een protserige aso-car’, had hij gezegd. En over de schoolprestaties van Otto’s kinderen deed hij altijd wat laatdunkend. ‘Jíj een negen voor wiskunde? Wat heeft je vader daarvoor betaald?’ Toen dan beide ouders dood waren en de erfenis verdeeld werd, deugde er niemand meer in de ogen van Eric, niet de advocaten, niet zijn broer, en zijn oudste zus net zo min. Tenslotte hebben ze elkaar nooit meer gezien of gesproken. Wat kan jaloezie vernietigend zijn!

 

DE CHRISTENEN

Soms gunnen mensen elkaar het geluk niet. Ze zijn bang dat er niet genoeg voor hen overblijft. Ik denk dat zij vroeger veel tekort gekomen zijn.
Dat je het geluk van een ander bewondert, is prima. Je mag gerust zeggen: ‘In zo'n mooi huis wil ik ook wel wonen...’, of: ‘zo'n vrouw en kinderen zou ik wel willen hebben....’ De ander kan zich erdoor vereerd voelen. Maar laat jaloezie geen destructieve vorm aannemen. Je moet die ander niet afnemen, wat je zelf niet hebt.
De eerste christenen bijvoorbeeld waren er in twee soorten. Sommigen hadden alle wetten van Mozes trouw vervuld, hadden zich laten besnijden, aten niets van het varken, verrichtten geen arbeid op sabbat, en volgden nog meer dan 600 andere voorschriften. Ze waren de weg van Jezus van Nazareth in geslagen. Daar kwamen ze anderen tegen, afkomstig uit de wereld van de heidenen. Zij hadden niets met Mozes. Ze begonnen hun geloof bij de verhalen van Jezus en kenden de joodse wetten niet meer. Alleen de tien geboden hielden ze aan. Dat wekte jaloezie. Was dat niet te gemakkelijk?
Jezus zelf had zich barmhartig getoond voor zondaars, tollenaars en Samaritanen. Al die onreinen, waren die dan bij God even welkom als de trouwe volgelingen van de wet?

 

EN WIJ

In onze tijd voelen heel wat mensen zich bedreigd door vluchtelingen. Zij hebben het gevoel dat hun banen en huizen worden afgenomen. Soms gaat hun jaloezie zo ver dat ze hun onderkomen bekladden of in brand steken. Ze gunnen anderen hun geluk niet, misschien omdat ze zich tekort gedaan voelen..., door hun ouders, door de regering, hun bazen, bij het sluiten van de mijnen of door de banken...?
Aan hen vertelt Jezus een verhaal. Een baas huurt arbeiders en belooft hun het normale dagloon van één denarie. Het is zes uur. De zon is op. Het eerste uur van de dag. Drie uur later gaat de baas weer naar de markt. Daar ziet hij nog mannen rondhangen. Ook zij mogen werken in zijn bedrijf. Het is dan negen uur. In het zesde uur, wij zouden zeggen, om twaalf uur 's middags, hetzelfde tafereel en zelfs nog eens op het elfde uur, dat is dus 5 uur in de namiddag, één uur voor sluitingstijd. Dan volgt de uitbetaling. Iedereen krijgt één denarie. Niemand komt tekort. Maar de werkers van het eerste uur zijn jaloers, zij hadden meer verwacht; of anders hadden de anderen maar minder moeten krijgen. Jezus neemt het op voor zijn Baas, voor God. Mag Hij niet goed zijn? Mag Hij met het zijne niet doen wat hij wil?
De parabel laat onbesproken, dat er ook mensen zijn die zich terecht beklagen. Degenen die helemaal niks ontvangen hebben, die in een ander dorp tevergeefs op arbeid hadden gewacht, die ziek zijn, of het baantje niet krijgen vanwege hun afkomst. Over hun lot gaat de parabel niet. De parabel gaat over ons, de mensen die tot de rijksten van de wereld behoren, die al het nodige hebben om van te leven. Wij hebben geen reden om afgunstig te zijn en anderen hun geluk niet te gunnen!

 

DE EENDEN

Lieve kinderen. Het liefste wat Vera deed, dat was met opa eendjes voeren. Dat was een groot avontuur. Je moet begrijpen dat de eendjes Vera ongeveer tot aan de heupen kwamen. Voor zulke eenden zouden pappa en mamma ook terugschrikken. Maar het ergste was: de eendjes wachtten niet rustig tot Vera de stukjes brood uit de zak had gehaald; nee, ze kwamen opdringerig op haar af. De sterkten en brutaalsten het eerst. En Vera wilde juist de kleine eendjes iets extra’s geven, maar hoever ze ook gooide, de grote renden het hardst. ‘Weet je wat ze doen?’, zei opa. ‘ik gooi het brood hier voor de grote eenden en dan loop jij stiekem naar achter de kleintjes voeren.’ Even leek dat te lukken, maar al snel waren opa en Vera door de grote sterkte eenden omringd. ‘Nou!’ , riep Vera verontwaardigd, ‘ik hou er mee op. Als het zo moet dan krijgen jullie allemaal niks!’ Daar konden ze het mee doen!