2017 - 22ste zondag door het jaar © Harrie Brouwers, Voerendaal

 

 

{mp3}preek 3 september 2017 Kunrade - door het jaar 22{/mp3}

 

 

TROOSTELOOS

 

 

 

ONTLOPEN
‘Weet u wel dat ik niet meer in een winkel ben geweest...!’ De vrouw verontschuldigde zich. Ik zou haar wel weinig meer in de kerk hebben gezien. Dat had alles te maken met haar ziekte. Ze was aan een chemokuur begonnen. Ze kwam nog wel eens een kaarsje op steken. Maar op zondag wilde ze al die mensen niet meer tegenkomen. En bij de supermarkt ook niet. Ze ging haar boodschappen tegenwoordig op de Heerlerbaan doen. Ze wilde al die vragen vermijden, over hoe het met haar ging. Dan moest ze steeds dat verhaal vertellen vol onzekerheden en teleurstellingen. Dan kwamen ongewild haar tranen. Moeilijk had ze het met de mensen die haar wilden troosten. Die hadden allemaal wel een tante of oudoom gehad met dezelfde kwaal, of een neef. Ze werd gek van de goedbedoelde adviezen. Het ergste waren de mensen die haar wilden doorsturen. ‘Kind, je moet eens naar Aken gaan’, of naar Genk of Amsterdam, want daar zat toch een professor... Een nichtje van de achterburen was in Amerika genezen. Ze zou het adres wel op Google vinden.’ ‘Ik word er wild van!’ Ze schudde haar hoofd. ‘Waarom luisteren de mensen nou niet eens gewoon naar míjn verhaal, zonder aan te komen dragen met het leed van anderen.’

 

VERDRIET STAPELEN
In de Talmoed staan wijze verhalen van rabbijnen uit de oudheid. Elie Wiesel vertelt daaruit. De grote leraar Jochanan was ontroostbaar verdrietig. Zijn zoon was na een ziekbed overleden. Leerlingen komen hem condoleren. Rabbi Eliëzer troost hem met de woorden: ‘Gedenk, dat ook Adam een zoon verloren heeft!’ Jochanan grijpt met beide handen naar zijn hoofd en roept klaaglijk: ‘Ach, is mijn lijden niet groot genoeg dat ik dat van Adam erbij krijg?’ Dan komt rabbi Jehosjoea binnen en zegt: ‘Bedenk dat Job al zijn zonen en dochters verloren heeft.’ Opnieuw begint Jochanan te schreien: ‘Ach, is mijn pijn niet groot genoeg dat je die van Job er nog bij legt?’ Rabbi Jose treedt naar voren: ‘De priester Aäron verloor twee zonen op één dag.’ ‘Ach’, jammert Jochanan. ‘Is mijn verdriet niet diep genoeg dat je dat van Aäron er nog naast legt?’ Rabbi Sjimon komt troosten. ‘De grote koning David heeft een zoon verloren.' ‘Vind je dan dat ik niet genoeg te dragen heb, dat je me ook nog met de pijn van David confronteert?’ En Jochanan begint hartverscheurend te wenen en hij houdt niet op. Hij ontving veel bezoekers, maar iedereen maakte zijn lijden alleen maar groter.
Jezus vertelt wat hem te wachten staat, zijn ergste vrees. De leerlingen willen daar niet aan. Ze beginnen te ontkennen. ‘Dat mag niet gebeuren!’, roept Petrus. Zijn ontboezeming komt voort uit vriendschap. Toch reageert Jezus met: ‘Weg satan!’ ‘Je helpt me niet met de werkelijkheid te ontkennen.’ Het verlies van het leven hoort bij het leven. Er is geen andere weg naar onze bestemming.
De mevrouw van de chemokuur raapte alle moed bij elkaar. ‘Ik moet ook niet zeuren. Het is ook niet eenvoudig om mij tegen te komen tussen de havermout en de hagelslag. Als ze niks zeggen is het niet goed. Als ze zeggen: Kop op, over een jaar lach je weer!, voel ik me onbegrepen. Als ze ernstig kijken en zeggen: Wat een ramp!, dan word ik helemaal depressief. Op de Heerlerbaan kennen ze me niet.’

 

LEED DELEN
Jezus wil door Petrus serieus genomen worden. Het deed hem pijn toen deze in de Hof van olijven in slaap viel; toen hij bij Pilatus voorwendde hem niet te kennen, toen zijn reactie op Jezus’ angst was: dat mag niet gebeuren. Petrus had misschien niets moeten zeggen. Gewoon naast hem staan. En meelopen,  samen er door heen.’
Als een dierbare medemens ons slecht nieuws heeft verteld, dan verwacht hij niet een lichtzinnige reactie alsof er eigenlijk niets aan de hand is. Hij verwacht ook niet een verdubbeling van zijn twijfel. Hij is beducht dat in zijn hart de labiele balans van hoop en vrees door ons ruw wordt verstoord. Dat kan al door een blik, een opgetrokken wenkbrauw of een opmerking. Menigeen gaat daarom anderen uit de weg. Of stuurt nieuwsbrieven rond om de directe confrontatie te vermijden. Eigenlijk zijn ze op zoek naar goede luisteraars. Jezus zoekt Petrus, niet om door hem in een andere richting geduwd te worden, maar als een reisgezel die met hem de weg meeloopt die hij moet gaan.

 

GEZAKT
Lieve kinderen. Milan zat op de stoep te huilen. Hij was te vroeg thuis; er was nog niemand. Het ergste was: hij had zijn zwemdiploma A niet gehaald. Iedereen had het, maar Milan niet. Ineens had hij niet meer gedurfd om door het gat te zwemmen. Iedereen stond te schreeuwen en ineens was hij naar de kant gegaan en weggerend. Daar kwam Judith aan. Ze ging naast Milan zitten. Aaide over zijn hoofd. ‘Ik ben gezakt!’, stootte Milan er uit. ‘Dat is toch niet erg, vent’, zei Judith. ‘Hoofdzaak is dat je niet verdronken bent.’ Ze liep weg en Milan huilde twee keer zo hard. Dat had Erik gezien. Hij ging voor hem staan. ‘Is er iets gebeurd?’ ‘Ik ben gezakt voor mijn zwemdiploma.’ ‘O wat erg!’, zei Erik en legde een hand op Milans schouder. ‘Verschrikkelijk. Bijna niemand zakt voor A. Dan krijg je het zwaar deze week. Ik zal voor je duimen.’ Erik liep weg en Milan huilde drie keer zo hard. Dat zag Lukas. Hij vroeg: ‘Wat mankeert jou?’ ‘Ik ben gezakt’, snikte Milan. Lukas ging naast hem zitten en zei niks. Toen het snikken minder werd zei hij alleen: ‘Rot voor je! Durfde je niet door dat gat? Dat komt door al die gillende keukenmeiden om je heen!’ Milan schoot in een lach!