2017 - 7de zondag van Pasen © Harrie Brouwers, Voerendaal

 

 

 

{mp3}preek 21 mei 2017 Kunrade - pasen 7{/mp3}

VAN DE WERELD

 

 

 

VREEMDELING

Een frisse meid stond aan mijn lessenaar. Ik was nog leraar op Bernardinus. Ze kwam na de les haar gelijk halen. In de volle klas had ze het niet willen zeggen, maar ze vond dat ik een waardeloze opmerking had gemaakt. ‘Dat zij geen dure merkkleren mocht kopen, zolang er honger in de wereld werd geleden.’ ‘Dat heb ik niet gezegd!’, verdedigde ik me. ‘Ik was aan het nadenken over de prioriteiten die we stellen. De honger van een kind gaat vóór op onze behoefte om mooi te zijn...!’ Ze keek me fronsend aan; haalde haar schouders op en zei met een vleugje medelijden: ‘U bent niet van deze wereld!’ Het was de eerste keer dat iemand me dat zei. Even was ik uit het veld geslagen. Toen dacht ik: ‘je hebt gelijk. Ik ben ook niet van deze wereld.’ Er is zoveel dat me tegenstaat. Honger in Afrika, verspilling in Europa, smeltende ijskappen en beschamende wapenleveranties aan dictaturen... Ik voel me een vreemdeling hier.
De evangelist Johannes had die ervaring ook. Het voelde voor hem alsof hij wel ìn deze wereld was, maar hij niet vàn deze wereld! Jezus was teruggekeerd naar de Vader. De leerlingen blijven achter in de wereld. Zij zijn de kinderen van het licht die tasten in het duister. Het vuur van hun liefde brandt in een wereld van onverschilligheid.

 

WERELDBEELD
In de eerste eeuw van de jaartelling hadden de mensen een heel ander schema in hun hoofd van de hemel en de aarde. Er was voor hen een tijdruimte met ‘een beneden’ en ‘een boven’. Daar woedde een strijd tussen de machten van het licht en van de duisternis. Wij, kinderen van de eenentwintigste eeuw, hebben een heel ander schema van de werkelijkheid in ons hoofd. Er is geen ‘boven’ meer en geen ‘beneden’. Het heelal dijt uit. Waarnaartoe, en waarvandaan? Wij stellen ons een kil vacuüm voor, met hier en daar opeenhopingen van stof en energie. In dat speelveld van krachten en toeval is een kwetsbaar weefsel ontstaan. Na miljoenen jaren is een soort daarvan, zich van zichzelf bewust geworden. Die denkt nu na, overziet het heelal en vindt dat het allemaal puur toeval is; zonder zin of betekenis.
God komt niet meer voor in deze voorstelling van zaken. Dat heeft een duidelijke oorzaak. De wetenschap is de wereld gaan beschrijven met van meet af aan de intentie om alleen de meetbare feiten op een rij te zetten. Al het andere heeft men bewust genegeerd. De verwondering van de geleerde, de opwinding van de sterrenkundige, de eenzaamheid van een astronaut, de triomf van een overwinning, de jalouzie van vakgenoten..., de ervaring van zin en betekenis heeft men systematisch uit het verhaal weggelaten om een zo zuiver mogelijke weergave te krijgen van de meetbare feiten. Het succes dat de wetenschap daarmee had, heeft ons veel welvaart gebracht, maar het heeft ons niets geleerd over de zin van ons leven, over de betekenis van ons bestaan of over God. Sterker nog, ze heeft de suggestie gewekt dat er geen zin en geen God is. Deze noties hadden we immers van het begin af aan uit de beschouwing weggelaten. Dat de wetenschap God niet vindt, hoeft ons dus niet verbazen. Ze heeft principieel niet naar hem gezocht.
Wie de honger van een kind zwaarder laat wegen dan het eigen comfort, is niet van deze wereld. Hij weegt immers de toevallige feiten af tegen zijn gevoel voor recht en barmhartigheid.

 

NIET VAN DE WERELD

De gelovige is niet van deze wereld. Johannes voelt zich een onbegrepene, iemand op wie de tijdgenoten wat meewarig neerkijken. De wereld mist God niet, ze vraagt niet eens naar Hem. Mensen vinden de zin van hun bestaan wel in een barbecue of een reisje naar Barcelona. Genoeg vertier. Pas als die wereld wankelt op zijn grondvesten, als er een ramp gebeurt, als er een eind komt aan een relatie, of als de gezondheid wankelt, dan komt weer die andere vraag: waarom was ik er ook weer?
We zijn niet van deze wereld, we dragen een bevende stem in ons hart die zegt dat de vluchteling ook recht op geluk heeft. Die zegt dat de zieke op mijn nabijheid mag rekenen. Die roept mijn aandacht naar dit kindje dat vandaag geen eten krijgt. We moeten het uithouden in deze wereld en niet worden als deze wereld!

 

MARS

Lieve kinderen. ‘Pappa, weet je wat Erwin zegt?’ Lei zat achter in de auto. Ze gingen oma afhalen om te eten. ‘Nee, vertel het me maar.’ ‘Erwin zegt dat zijn opa van Mars komt.’ ‘Dat is flauwekul’, zei pappa direct er overheen. Lei had een enorme fantasie en van zulke verhalen kon hij nachtenlang wakker liggen. ‘Maar weet je...? Erwin had een grote groene plek op zijn arm. Hij zei dat dat een vlek van de marsmannetjes was. Zijn opa was helemaal groen.’ ‘Die onzin geloof je toch niet. Die vlek had hij vast met de viltstift gemaakt!’ Even was het stil in de auto. ‘Maar woont er dan niemand op Mars?’ ‘Op Mars niet, maar ergens in dit heelal zullen wel wezens leven. Ik denk niet dat ze groen zijn!’ ‘Maar waar wonen ze dan?’, drong Lei aan. ‘Nou misschien in de Andromedanevel’, zei pappa. Dat vond Lei sjiek. ‘Dan maak ik een paarse vlek op mijn been en dan vertel ik Erwin dat jij van de Andromedanevel komt!’ ‘Maar, vind je het niet veel interessanter dat je uit Retersbeek komt?’, vroeg pappa toen. ‘De wezens in de Andromedanevel dromen ervan om uit Voerendaal te stammen. Ze maken misschien rode vlekken in hun nek. Voerendaal is daar het fijnste van het fijnste.’ Maar daar was Lei het niet mee eens. Hij voelde toch duidelijk, dat hij van de sterren vandaan was.