2017 - 6de zondag van Pasen © Harrie Brouwers, Voerendaal

 

 

 

{mp3}preek 21 mei 2017 Kunrade - pasen 6{/mp3}

 

GEEN WEG TERUG

 

 

 

 

 

WEESKINDEREN

Ik kreeg bezoek. Drie zusjes. Nou ja, zus-jés! Het waren al wat oudere dames. Eentje ging letterlijk gebukt onder artrose aan de heup. Ze kwam dapper de treden van de pastorie naar boven en lachte verontschuldigend vanwege haar moeizame gang. De ander riep uit: ‘Wat is het hier donker!’ en ze begon haar bril op te poetsen. ‘Nae, ‘t is neet dónderdig?’, antwoordde de derde, terwijl ze aan een radertje achter haar oor draaide. De zusjes gingen aan tafel zitten en vertelden over moeder die al jaren hun namen niet meer kende; die weken had liggen zuchten in een diepe slaap, en die nu was overleden. Ineens keek de oudste me met grote ogen aan en stelde vast: ‘Ja, en nou zijn we weeskinderen. Alle drie!’
Ik heb dat vaak gehoord. Zolang een van de ouders nog leeft, hoe ziek en verzwakt ook, is er nog altijd een hand in je rug, een mogelijke troost, een desnoods denkbeeldige knipoog; iemand voor wie jij de belangrijkste mens op aarde bent of bent geweest. Maar als de laatste ouder dood is, dan is er geen terug meer, geen stoel waarin je je achterover kunt laten vallen, geen aai over je hoofd, geen trotse glimlach. Er zijn kinderen en kleinkinderen, er is een partner en er zijn buren en vrienden, maar er is niemand meer die bij je geboorte was en je eerste stapjes op aarde; die je heeft zien liegen en janken, en met het puntje van de tong tussen de tanden heeft zien schilderen. Dan ben je wees geworden. Nu ben je zelf aan de beurt.

 

JOHANNES

‘Ik laat jullie niet verweesd achter’, zegt Jezus in het evangelie van Johannes. Johannes moet zich een wees hebben gevoeld toen Jezus stierf. Johannes was de jongste. Tussen hem en Jezus bestond een sterke band. Misschien wel een vader-zoon gevoel. Jezus voelde zich verantwoordelijk voor hem en hij ervoer in Jezus een vader, iemand die hem kon beschermen tegen de gevaren van de wereld. En nu was die Jezus dood. De leerling is op zichzelf teruggeworpen. Hij staat er alleen voor.
Dat gevoel van eenzaamheid kan ver gaan. Veel mensen verliezen de moed en de hoop. ‘Laat mij ook maar sterven’, zuchtten zij. ‘Het heeft geen zin meer.’ Er overheerst een gevoel van onveiligheid. Overal in de wereld loeren gevaren. En toch..., in die verlatenheid heeft Johannes ondervonden dat hij toch niet helemaal alleen was. In de eenzaamheid van zijn existentie heeft hij een verbondenheid gevoeld met het bestaan zelf. Met het zijn, met het wonder van de schepping, met God. ‘Ik laat jullie niet verweesd achter’, hoort hij. Jezus’ dood was een enorme klap geweest. Hij dacht dat hij niet zonder hem kon, maar het ging wel! Jezus was opgegaan in het Al en daar was Johannes ook mee verbonden. Er kwam een nieuwe rust over hem. Hij vond troost. En die troost werd groter naarmate hij zijn voetstappen meer in het spoor van Jezus zette. Het leek of hij hem beter begreep dan ooit. De weg naar de ander, naar de hongerige en de gevangene, de zieke en de dorstige, dat is de weg naar de Eeuwige. Jezus’ geest was voelbaar aanwezig in het denken en handelen van de leerling. En dat was meer dan genoeg.

 

TROOST

‘Mamma zei altijd: “kindje, je zult me later wel begrijpen!”’ De vrouw met de artrose wendde zich tot haar zusje. ‘Witste nog?’ En toen tot mij: ‘Je moet je nooit schamen om met een stok te lopen. Beter een stok dan een gebroken heup! Daar moet ik altijd aan denken als ik over straat loop.’ ‘Ze zei ook altijd:’, vulde haar zusje aan, ‘je hoeft niet alles te zien!’ En ze legde uit dat mamma twee keer aan staar was geopereerd, maar dat ze dat eigenlijk niet nodig vond. ‘Doe het dan voor de kleinkinderen’, had ze gezegd. ‘Die zien me ook wel zonder die operatie’, had ze geantwoord. ‘Doe hoofs ouch neet alles te hure! Dat zei ze ook wel eens’, vertelde de derde nog. De drie zusjes knikten. Ze hielden de geest van moeder levend. Zoveel was duidelijk en het troostte hen zeer.
De leerlingen gaan verder. Ze geven de Geest door. Generatie na generatie. In barre tijden van oorlog en honger, van wrede vervolgingen, en van geluk, welvaart en overvloed. In tijden waarin de macht kiepte en de moraal keerde. Altijd klonk er die stem die zei: ‘je zonden zijn vergeven; maak een nieuw begin.’ ‘Hier heb je brood voor vandaag.’ ‘Kom uit je schuilplek want bij jou wil gast zijn.’ ‘Laat die kinderen spelen want ze hebben allemaal een engel bij de Allerhoogste.’ Altijd waren er mensen die zich daardoor lieten roepen en die daarin de zin van hun bestaan vonden. Ze bleven niet verweesd achter! Ook niet toen ze alleen waren.

 

WEESHUIS

Lieve kinderen. Patrick was diep onder de indruk geweest. Hij was in een Franse stadje. Ze wandelden door oude straatjes. Ineens was daar een heel groot huis met allemaal luiken langs de ramen. Het was donkergeel geverfd. Pappa keek in zijn boek waaruit hij steeds hardop aan het lezen was. ‘Weeshuis’, zei hij, ‘gebouwd in 1758.’ ‘Wat is een weeshuis?’, vroeg Patrick. ‘Dat is een huis voor kinderen die geen pappa en geen mamma meer hebben.’ Pappa bladerde verder, maar Patrick schrok zich rot. Bestond dat? Kinderen zonder pappa en zonder mamma! ‘Kan ik ook wees worden?’ Voor de zekerheid gaf hij pappa maar alvast het antwoord in de mond. ‘Dat kon zeker alleen maar in 1758!’ ‘Het gebeurt bijna nooit’, zei pappa. Maar het kan. ‘Moet ik dan naar het weeshuis?’ Nee hoor. We hebben goed voor je gezorgd. Dan mag je naar tante Lisa, als je dat wil.’ Nee’, riep Patrick, ‘dat wil ik niet!’ Maar ja, beter bij Lisa dan hier in Frankrijk. ‘Gek woord ook’, mompelde hij: ‘ík ben wees, Ben was wees. Wies was wees geweest, wees blij...’ Maar nee, hij werd er niet vrolijk van!