De genoemde datums laten het moment van publicatie zien, 
De datum waarop de preek gehouden is ligt gewoonlijk een week later

TWEEDE ZONDAG IN DE ADVENT VAN HET B--JAAR 2008


© Harrie Brouwers, Voerendaal 2008

EEN NIEUWE WEG

 

'WELKOM THUIS'

Een jonge vader belde op. Hij wilde weten hoe dat zat met het dopen van kinderen. ‘Ik ben gister vader geworden’, zei hij trots. ‘Mijn vrouw ligt nog in het ziekenhuis. Dat kan nog enkele dagen duren, maar ik wil me vast op de hoogte stellen; weet u, we lopen de kerk niet plat en ik weet niet hoe u daarover denkt.’ We raakten in gesprek. Het was zijn eerste kind, een dochter. Mirte ging ze heten. Alleen een peetoom hadden ze nog niet. Ze waren bang dat ze opa erg teleur zouden stellen als ze een van hun vrienden zouden vragen. ‘Wanneer komt uw vrouw naar huis?’, vroeg ik. Dat wist hij niet. De dokter was er niet duidelijk over geweest. Ze had veel bloed verloren; het kindje lag in een couveuse, maar daar zou ze vandaag al uit mogen, dacht hij. Hij had er geen enkele invloed op. Daarom was hij het huis maar gaan versieren. Meteen besefte ik waar hij woonde. Die ochtend in het voorbijrijden was me een heftig versierde gevel opgevallen. ‘Hoera een dochter’ hing met vlaggetjes aan het raam. ‘Welkom thuis’ hing boven de deur. Een ooievaar stond in de tuin. De jonge vader sloofde zich uit om alles feestelijk te maken voor de thuiskomst. In het ziekenhuis had hij geen macht. Genezen kon hij niet, maar welkom heten des te meer.

DE KORTSTE WEG TERUG

Zo ongeveer stelt Jezus het koninkrijk van God voor. We kunnen het niet zelf constueren. We kunnen het niet afdwingen. We kunnen Gods verschijnen in de wereld niet teweeg brengen. Het enige dat we kunnen doen, dat is het huis poetsen, de gevel versieren, de stoep vegen. We kunnen niet de hemel op aarde forceren, maar we kunnen wel God welkom heten.
Jesaja is de zanger van het Joodse volk toen het in vijandig gebied, ver van huis, gevangen zat. Met zijn liederen wakkerde Jesaja het verlangen aan naar een thuiskomst ooit. Hij vertolkte het heimwee naar Jeruzalem. Een van zijn dromen is die van een prachtige nieuwe weg, kaarsrecht, als een autobaan door de woestijn, linea recta naar Jeruzalem. Een weg waarlangs de ballingen zouden terugkeren met de eertijds geroofde schatten van de tempel in hun bezit.

WEG NAAR VRIJHEID

Zeshonderd jaar later. Het Babylonische rijk hoort intussen tot een ver verleden. Ook het rijk van de Meden dat daarna gekomen was, is ingestort. Alexander de Grote is verleden tijd en de opvolgende koningshuizen zijn uitgerangeerd. Nu heersen de Romeinen op aarde. Ze doen dat wreed en inhalig. Zware belastingen moeten worden betaald. Elk vrijheidsstreven wordt hardvochtig de kop ingedrukt. In die benarde omstandigheden is een oud waakvlammetje wat hoger gaan branden in de harten van het Hebreeuwse volk. Het lied van Jesaja klinkt opnieuw. Jan de Doper zingt het in de woestijn. Hij heeft zich afgekeerd van de hoofdstad, weg van de paleizen, weg zelfs van de tempel met de priesters die angstvallig compromissen sluiten met de onderdrukker. Weg van de decadent rijken die eigenlijk niets meer verwachten en zeker geen verandering. Johannes verwacht het koninkrijk van God, maar hij weet dat we het niet zelf kunnen maken. We kunnen dat Rijk niet bouwen. Maar wat we elk kunnen doen: een weg aanleggen voor God, de gevel versieren, het huis opruimen, bezig zijn met de dingen die hem behagen.

EEN WEG VOOR GOD

De menswording van God is een wonder, een geschenk. Zoals de thuiskomst van de jonge moeder met haar kind. Wij kunnen alleen een lint rose vlaggetjes ophangen van raam tot raam: ‘Hoera, een meisje’. Of een bordkartonnen reuzebeschuit met blauwe muisjes en een welkomstbord! Johannes is de bode die roept: ‘heb eerbied voor mensen. Trek je het lot aan van de armen. Probeer vrede te schichten in je omgeving. Maak de weg recht voor God.’

HOOG BEZOEK

Lieve kinderen. De oma van Natasja kwam niet zo dikwijls op bezoek. Ze woonde namelijk in Assen. Maar dit weekend kwam ze Natasja’s verjaar vieren. ‘Natasja, denk erom: ruim je kamer op; oma komt straks’, had mamma al een paar keer gezegd. In de huiskamer moest al het speelgoed in de kisten. De legpuzzel moest naar boven onder het bed. De draden achter de computer werden zorgvuldig weggemoffeld. Er werd een vla gehaald. Het was bijna half drie. Nu zou ze elk ogenblik arriveren. Mamma keek nog eens kritisch rond of alles in orde was. ‘Ach’, zei ze ineens, ‘nu hebben jullie alle fietsen nog buiten tegen het raam staan. Dat ziet zo slordig uit. Zet de fietsen achterom!’ Natasja protesteerde. ‘Die fietsen zijn toch niet vies!’ ‘Jawel, dat ziet niet mooi uit.’ Ze ging met tegenzin naar buiten. Eerst werd de crossfiets van Ralf naar achter gereden, toen de gewone fiets, toen de rose fiets van Natasja en de fiets van mamma. Nu kon oma komen. Natasja drukte haar neus tegen de ruit. Ineens kwam er een auto. Was dat oma? Een rode Peugot. Het leek of de bestuurder een huis aan het zoeken was. Hij reed voorbij! De auto reed langzaam. Ineens stopte hij bij nummer negen. Natasja zag het met verbazing. De deur ging langzaam open. Een been kwam naar buiten. Toen een arm met een gebaksdoos, toen de rest van oma. Oma liep moeilijk met haar gebak en belde aan op nummer negen. Natasja rende naar buiten. ‘Oma! Ken je ons huis niet meer? We wonen hier, hoor. Op nummer dertien!’ Oma keek verrast, blij en verbaasd tegelijk. ‘Ach wat stom, ik ging op die berg fietsen af voor de deur.’ Met een snelle blik keek Natasja keek haar moeder verwijtend aan.